Is passief beleggen een bubbel of een bubbeltje?

Deze rubriek belicht beursontwikkelingen die in de belangstelling staan. Deze keer: passief beleggen.

Dat is even schrikken, als Michael Burry iets „de volgende bubbel” noemt. Afgaande op het verfilmde boek The Big Short was het deze op blote voeten lopende metalfan die de rot in de Amerikaanse huizenmarkt doorzag. Al in 2004 achtte hij een crisis onafwendbaar. De handelaar zette tientallen miljoenen dollars in op het ten onder gaan van gammele hypotheekproducten. Toen die daadwerkelijk klapten, verdiende hij een veelvoud van dat bedrag.

Nog meer schrikken is het als Burry het geliefdste beleggingsproduct van de afgelopen tien jaar een bubbel noemt: indextrackers. Ook wel ETF’s. Sinds de crisis wonnen die enorm aan populariteit. Een tracker volgt een index op een bepaalde markt of index, bijvoorbeeld de AEX. Koop je een AEX-tracker, dan koop je indirect aandelen in alle bedrijven die in de Amsterdamse graadmeter zijn opgenomen. De ETF stijgt of daalt automatisch met de AEX mee. Dat heet passief beleggen. Handelen in ETF’s is niet alleen goedkoop. Omdat je je kansen spreidt (je koopt alle aandelen in plaats van dat je op één bedrijf gokt), is het ook veiliger.

Niet dus, zegt Burry. In een interview dat persbureau Bloomberg begin deze maand publiceerde krijgen ETF’s het om de oren. De hoofdmoot van Burry’s betoog: hoewel er dagelijks miljarden dollars gemoeid zijn met de handel in trackers, is in de onderliggende aandelen veel minder handel. Kijk eens naar de Amerikaanse small- en midcapindex, de Russell 2000, zegt Burry. Bij meer dan de helft van de aandelen in deze index bedraagt het dagelijkse handelsvolume minder dan 5 miljoen dollar (4,5 miljoen euro). Maar honderden miljarden dollars gaan elke dag om in de handel van trackers die de Russell 2000 volgen.

Volgens Burry is dat een gevaarlijke discrepantie. Een bubbel. Het onderwerp is gevoelig in beleggerskringen. Van veel kanten kwam kritiek op Burry’s verhaal. „Pure stemmingmakerij”, zei de een. „Een bizarre aanval op passief beleggen”, zei de ander. Ook Martijn Rozemuller van Think ETF’s VanEck, een aanbieder van indextrackers, is het niet met hem eens. „Er zijn moeilijk exacte cijfers te geven over het belegd vermogen in ETF’s, maar de schattingen zijn dat die hooguit 20 tot 30 procent van de wereldwijde beleggingsmarkt uitmaken.” Dus waar hebben we het over?

En toch. Lodewijk van der Kroft van fondsbeheerder Comgest kan zich wel vinden in Burry’s betoog. „De mismatch tussen de handel in ETF’s en de handel die eronder ligt, herbergt in sommige gevallen een zeker risico”, zegt hij. „Er zijn tegenwoordig overal ETF’s voor, waardoor een schijnliquiditeit kan ontstaan.” Liquiditeit staat voor de verhandelbaarheid van een financieel product. De afgelopen jaren is er een wildgroei geweest aan trackers die allerhande financiële producten volgen. Door de populariteit van die ETF’s wordt weleens vergeten dat hetgeen zij volgen helemaal niet zo goed verhandelbaar is.

Het gevaar daarvan omschrijft Burry zo: „Het wordt steeds drukker in het theater, maar de uitgang blijft zo groot als altijd.” Vliegt dit volle theater in brand, dan is er nog steeds maar één kleine uitgang. Van der Kroft: „Is er paniek op de markten, dan moet er verkocht worden. Maar dat zal bij sommige ETF’s moeilijk blijken.” En dan ben je als belegger waarschijnlijk gedwongen je verlies te nemen, en zal je verbranden met het theater.

Een wat al te dramatische beeldspraak, als het aan Van der Kroft ligt. „Het merendeel van de ETF’s volgt liquide markten, zoals de MSCI Europe Index. Het gevaar ligt meer bij de ETF’s die bijvoorbeeld smallcaps volgen.” Maar in die trackers, die minder liquide producten volgen, gaat een stuk minder geld om. Die zullen het financiële systeem niet naar beneden trekken. Maak van Burry’s bubbel dan maar een bubbeltje.