Recensie

Recensie Theater

Klassieker ‘De Tijgerkat’ gecastreerd tot koddige komedie

Recensie Voor La Pretenza schreven Kasper Tarenskeen en Jan Hulst een nieuwe tekst op basis van de klassieke Italiaanse roman ‘De Tijgerkat’. Kees Hulst steelt de show in zijn rol van oude patriarch.

Mooi van timing: Kees Hulst (l) als de oude patriarch in ‘La Pretenza’
Mooi van timing: Kees Hulst (l) als de oude patriarch in ‘La Pretenza’ SAnne Peper

Het kleine kind is een pop, het uitzicht op zee is een repetitief filmpje op het achterdoek en in de hoek staat een belachelijk groot klassiek geschilderd portret van een vrouw. Tegen de pop spreekt de oude patriarch Fabrizio op ernstige toon en met gedragen woorden over de krachten die de ziel vormen, het onbarmhartige Sicilië en de rijkdom die de jonge Paolo ooit zal erven. Al in de openingsscène van La Pretenza manoeuvreren Kasper Tarenskeen en Jan Hulst nadrukkelijk weg van enige vorm van naturalisme.

In plaats daarvan kiezen ze een menging van stijlen, die zich voortzet in de kluchtige wijze waarop ze de roman De Tijgerkat van Giuseppe Tomasi de Lampedusa (1958) naar hun hand zetten. In die roman, over de ondergang van een negentiende-eeuwse patriciërsfamilie, botst de oude op de nieuwe tijd, de elite met het volk en de jeugd op de oudere generatie. In deze bewerking zijn die maatschappelijke dilemma’s vervangen door een dramaloos plotje over de moeizame verhouding tussen vader en zoon in een cordon van grappenmakerij.

Bijna alle grappen maken Tarenskeen en Hulst door idioom op elkaar te laten botsen en door eigentijdse referenties in dit historische verhaal op te nemen. Zoals wanneer de oude patriarch zijn clownesk geschminkte bediende plots toevoegt zijn „kankerkop” te houden. Of als hij het plots heeft over poortjes op vliegvelden of iemand „sharp as fuck” noemt. Het is de toon van sketchshows als Sluipschutters en Klikbeet, maar dan uitgesmeerd over tachtig minuten.

Mooi is het afgrijzen op Hulsts gezicht

Het standsbewustzijn van de oude patriarch (gespeeld door Kees Hulst, de vader van Jan) wordt tot scherts vermalen. Als hij zijn zoon en diens vriend vertelt over een uitstapje naar de stad zegt hij: „Ik heb geld gestrooid op de armen om ze tevreden te houden. Ik ben kapot.” Toch is de plechtige air waarmee Kees Hulst speelt en spreekt, de wendbaarheid van zijn houding en zijn gevoel voor timing een belangrijke kwaliteit van deze voorstelling. Mooi is het afgrijzen op zijn gezicht, dat geschokt vertrekt van afschuw, als hij zijn zoon Puccini hoort zingen.

De poging om lolbroekerij en serieuze gedachten naast elkaar te laten bestaan, komt nog het beste tot zijn recht in het slotdeel, waarin Girabaldi het woord voert, de rebellenleider die Sicilië aanvalt en symbool staat voor vernieuwing. De elite moet wijken, poneert hij. Kunst is verwerpelijk. „Jullie bouwen je tronen van boeken, maar kunnen nog geen lekkende kraan repareren.”

De rebel ontpopt zich als een populist, waardoor de beroemdste woorden uit de roman alsnog gewicht krijgen: „Alles moet veranderen, opdat alles hetzelfde blijft.”