Grapperhaus wil een speciale narcobrigade, helpt dat?

Drugscriminaliteit Informatie vergaren is de essentie van rechtshandhaving. Daarin moet de overheid investeren, zeggen kenners.

Minister Grapperhaus (Justitie, CDA) staat de pers te woord op de eerste dag van de Algemene Politieke Beschouwingen, die werd overschaduwd door de moord op advocaat Derk Wiersum.
Minister Grapperhaus (Justitie, CDA) staat de pers te woord op de eerste dag van de Algemene Politieke Beschouwingen, die werd overschaduwd door de moord op advocaat Derk Wiersum. Foto David van Dam

Mannen met de gele letters ‘DEA’ op hun rug die een huis binnenvallen. Zo kennen we de Amerikaanse Drug Enforcement Administration, die al sinds de jaren zeventig de internationale drugshandel aanpakt.

Bob Hoogenboom, hoogleraar fraude aan de Nyenrode Business Universiteit, bezocht de DEA tijdens een studiereis met rechters en collega-onderzoekers in de Verenigde Staten. Daar luisterden ze naar een officier die enthousiast vertelde over de infiltratie in een drugskartel. Zes, zeven kopstukken waren gepakt. „En wat gebeurde er daarna met het kartel?” vroeg iemand na afloop in de zaal. „Hij antwoordde, laconiek: ‘Ja, dat hebben anderen natuurlijk óvergenomen’.”

Hoogenboom moest eraan denken toen hij minister Ferdinand Grapperhaus (Justitie en Veiligheid, CDA) deze week hoorde spreken over de komst van een antidrugsbrigade, een speciale eenheid als onderdeel van de politie die de strijd moet aangaan met drugscriminaliteit. Het voorstel van regeringspartij CDA kreeg donderdag bijval in de Tweede Kamer. Aanleiding was de liquidatie vorige week van de Amsterdamse advocaat Derk Wiersum, die mogelijk verband houdt met een groot conflict binnen de Nederlandse cocaïnemafia.

Lees ook: De grimmige nieuwe realiteit in de rechtsstaat

In het televisieprogramma Buitenhof lichtte Grapperhaus zondag het plan toe: een landelijke eenheid van zo’n honderd man, gericht op „oprollen, afpakken en voorkomen”. Met daarin de politie, de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD), het Openbaar Ministerie, de marechaussee en de douane. „Maar ook het jeugdwerk, want we moeten ook inzetten op preventie.”

Hoe die narcobrigade er precies uit moet zien, is onduidelijk. Maar wordt het een gespecialiseerde antidrugsunit die vooral gericht is op repressie, dan zul je het probleem niet oplossen, zegt Hoogenboom. Sterker, zo’n plan zou getuigen van gebrek aan kennis over de huidige opsporing. „Alsof er de afgelopen jaren niets aan de aanpak van de georganiseerde drugscriminaliteit is gedaan.”

„We hebben toch al de Dienst Landelijke Recherche?” reageert Joop van Riessen, oud-hoofdcommissaris van de Amsterdamse politie en voormalig adviseur van het COT Instituut voor Veiligheids- en Crisismanagement. „Ik kan me voorstellen dat ze bij politie denken: Jeetje, wat willen ze nu weer?”

Omgekeerde bewijslast

De Dienst Landelijke Recherche richt zich al sinds 2004 – lang voor de oprichting van de Nationale Politie – onder de naam Nationale Recherche op de bestrijding van zware georganiseerde misdaad; een fors deel daarvan is grensoverschrijdende drugscriminaliteit. Daarnaast zijn er andere instanties die zich daar direct of indirect mee bezighouden. De Financial Intelligence Unit (FIU), die ongebruikelijke transacties opspoort. De AIVD, die bedreigingen van de nationale veiligheid aanpakt. De FIOD, de opsporingsdienst van de Belastingdienst. De Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid, die speurt naar onder meer arbeidsfraude.

Lees ook: Politiek worstelt na moord op wiersum met aanpak drugscriminaliteit

De aanpak van georganiseerde drugscriminaliteit stónd al hoog op de agenda, zeggen Hoogenboom en Van Riessen. Ze wijzen op criminoloog Cyrille Fijnaut, die in de jaren negentig van de vorige eeuw de georganiseerde misdaad op de Amsterdamse Wallen minutieus in kaart bracht, inclusief de geldstromen tussen onder- en bovenwereld. De overheid is zich sindsdien bewust van de problemen die drugscriminaliteit met zich meebrengt. Maar wat beiden zich wel afvragen: zijn daarna de goeie beleidskeuzes gemaakt?

„Kijk naar Italië”, zegt Van Riessen. „Daar zegt de overheid in het kader van de Plukze-wetgeving tegen drugscriminelen die in beeld zijn: ‘Hoe kom je aan die dure auto, dat huis?’ Waarna zíj moeten bewijzen dat het eerlijk is verdiend.” Omgekeerde bewijslast, zoals die ook geldt in het Nederlandse belastingrecht. „Het wérkt.” Van Riessen opperde het idee in de jaren negentig. „Maar toenmalig minister van Justitie Hirsch Ballin wilde daar niet aan. Hij zei: ‘Dat is niet ons rechtssysteem’.”

Clubs delen geen informatie

Financieel rechercheren, daar is ook Hoogenboom voorstander van. „Pas dan kun je zicht krijgen op criminele verbanden. Want ook drugscriminelen maken reizen, moeten hun financiën ergens in de wereld kwijt. Werk samen met luchtvaartmaatschappijen, banken, de Autoriteit Financiële Markt, de FIOD, de sociale dienst.”

Follow the money. Het wordt al jaren geroepen, maar in de praktijk komt er weinig van terecht, zegt Hoogenboom. Want dat vereist samenwerking tussen instanties en die is er weinig. „Alle opsporingsinstanties hebben hun eigen informanten, hun eigen trajecten, eigen analyses.” En maar al te vaak, zegt hij, wordt het privacy-argument erbij gehaald om te zeggen dat het niet anders kan. „Maar dat is te gemakkelijk. Er kan binnen wet- en regelgeving meer dan we denken.” Het echte probleem, zegt Hoogenboom, is dat organisaties vaak niet wíllen samenwerken. „Het tast hun ego aan, hun reputatie. En informatie is hun kapitaal, waarom zouden ze dat delen?”

Nederland is 'naïef' over de wereldwijde rol in cocaïnehandel

De informatieuitwisseling tussen diensten is inderdaad een probleem, zei Grapperhaus in Buitenhof. Hij zei dat er een wetsvoorstel klaar ligt dat de brigade hierin „meer armslag” moet geven. Zoals hij ook beloofde te willen „inzetten op preventie”, door bijvoorbeeld het jeugdwerk bij de brigade te betrekken. Hoe precies, dat blijft onduidelijk.

Botte bijl

„Nederland is uitgegroeid tot een narcostaat”, zegt Van Riessen. „Drugsgebruik is genormaliseerd, daar kunnen we niet om heen.” Juist daarom is het volgens hem nodig te investeren in „de sociale kant”: in achterstandswijken, jeugdzorg, welzijnswerk.

„De essentie van rechtshandhaving is informatie krijgen”, zegt Hoogenboom. „Informatie van bedrijven. Maar ook uit wijken en gemeenschappen, zoals de Turkse, de Marokkaanse. Die moet je daartoe verleiden, stimuleren. Je zult als overheid moeten investeren. Want repressie alleen, dat is met een botte bijl slaan op een complexe werkelijkheid.”