Freek brengt zijn ‘klassiekers’ met verve in Carré

Recensie Vrijdag en zaterdag speelde Freek de Jonge het programma De Canon’ in Carré, ter ere van zijn 75ste verjaardag.

Freek de Jonge speelt De Canon in Carré: een uitmuntend verteller
Freek de Jonge speelt De Canon in Carré: een uitmuntend verteller Koen van Weel

In zijn eerste solo, De Komiek, zei Freek de Jonge: „Alles is als eens gezegd, zei de cynicus. Maar er is nog nooit geluisterd, sprak de optimist.” Die regels hadden het motto kunnen zijn keuze om een ‘best-of’-programma te spelen, onder de titel De Canon.

Eind augustus werd De Jonge 75 jaar en dat bracht hem ertoe niet zijn laatste programma, De Suppoost, te spelen in Carré, maar een collectie conferences die hij bestempelt als ‘klassiekers’ uit zijn oeuvre. Tot zijn eigen lievelingsverhalen behoren onder meer ‘Moorkoppen vruchtenpunten’ (uit De Mars, 1981), Het kistje (De Openbaring,1982), De spin (De Mythe, 1983), De Morgenwijding (De Laatste Lach, 2007) en Nationaal park de Hoge Veluwe (Als je me nu nog niet kent, 2014).

Het is mooi om te zien dat een kunstenaar van zijn kaliber op deze respectabele leeftijd nog met zoveel energie en speelplezier op het podium staat. Ook al heeft zo’n terugblik onvermijdelijk een nostalgisch tintje. Door de losse samenstelling voel je niet de gedrevenheid van de zoeker of de woede van de satiricus, de krachten die hem zo groot hebben gemaakt. In De Canon brandde het warme kacheltje van de herkenning en het publiek genoot er van.

De Jonge is dan ook een uitmuntend verteller, met zijn spreekstijl die wel ‘geëxalteerd’ is gedoopt. Met zijn explosieve dictie weet hij zijn woorden voortdurend onder spanning te zetten. In elke zin strooit hij royaal met klemtonen en uitroeptekens. Soms neemt hij ene tussensprintje of valt juist even stil. Zelfs een kabbelende vertelling krijgt door zijn tekstbehandeling de air van een spannend verslag.

Bijzonder was de ode aan Toon Hermans, met een impressie van diens grootse, absurdistische act ‘De stoel van mijn zuster’. Net als Toon toonde De Jonge het zitvlak van een stoel waarop zijn zus zou hebben gezeten aan iedereen op de eerste rij, opdat ze het goed kunnen zien. En dan nog eens de onderkant, waar ze niet heeft gezeten. Toon wees op de rugleuning, die evengoed al te zien was, zodat hij kon zeggen: „Hier hoeft u niet te kijken. U mag wel kijken, maar daar heeft ze niet gezeten.”

De parabel van de spin

Een van de verhalen die nog goed stand houdt, is de parabel van de spin. In een stofzuigerzak woont een spinnengezin, waarvan de vader zegt dat het licht aan het eind van de tunnel, dat ze nooit bereiken de hemel is. En bij het legen van de zak moet iedereen zich goed vasthouden, anders kom je in de hel. Maar als een kind, na een verblijf buiten de zak, verkondigt dat er buiten de vrijheid heerst om een web te weven, hakt vader zijn pootjes af. De symboliek van ‘De spin’ (aangaande religie, vrijheid, nieuwsgierigheid, conservatisme) heeft niet aan waarde ingeboet.

Freek eindigde met het gedicht waarmee hij De Openbaring (1982) afsloot, met als laatste regels: „Nergens is vrede. Wees nergens. Niemand is gelukkig. Wees niemand.” Misschien dat er deze keer iemand luistert.