Sint Antoniesbreestraat

Op weg naar de opening van vitrine-expositie Dichter bij de Nieuwmarkt, dertig vitrines met poëzie (Fausto van Bronkhorst) en kunst (Victor Levie) in Huis de Pinto in de Sint Antoniesbreestraat, zocht ik nog even op wat de buurt zoal rijk is aan straatgedichten.

In het poortje tegenover het Pinto-huis, vlak naast de boekwinkel, blijkt een steen ingemetseld met een anoniem gedicht: ‘Benyt niemans profyt/ laat elector bouwe/ want of gy het schoon benyt/ het fertuyn sal syn loop houwe’. Nooit geweten. Zoals ik ook niet wist dat er aan de gevel van de Hogeschool voor de Kunsten in de Jodenbreestraat ook een gedicht hangt: ‘als/ ik een mens/ was en geen steen/ wenste ik/ jullie om me heen’. Het staat er niet bij, maar het is van Judith Herzberg.

Wat ik wel kende natuurlijk was dat gekke zuiltje bij het Rembrandthuis met het onsterfelijke ‘Onrust’ van Jacob Israël de Haan: ‘Die te Amsterdam vaak zei “Jeruzalem”/ En naar Jeruzalem gedreven kwam,/ Hij zegt met een mijmerende stem”/ “Amsterdam. Amsterdam”.’

Toen ik metrostation Nieuwe Hoogstraat uit was, liep ik de Sint Antoniesbreestraat in om de Dichter bij de Nieuwmarkt-vitrines te bekijken, want daar moesten ze hangen, in de arcaden aan weerszijden van de straat. Maar er was niks, geen kunstwerk of versje te bekennen. Zeker nog niet opgehangen, dacht ik, waarop ik op mijn schreden terugkeerde en de vitrines prompt in zicht kreeg. Als u Dichter bij de Nieuwmarkt gaat bekijken, start dan dus op de Nieuwmarkt. Voor de thuisblijvers die zoals gewoonlijk ongelijk hebben, is er bij de Stichting Kunst en Cultuur Amsterdam ook een fraai boekje verschenen (10 euro, te bestellen bij info@kunstencultuurcentrum.nl).

Heel mooi vond ik de korte cyclus over het Zwarte Plein, waarin kleurrijk beeld en eenvoudige taal prachtig samenkomen: (1) ‘Op het Zwarte Plein/ Ons Stadsstadion’, (2) ‘Geen/ Gemaaid gras/ Maar/ Stevige stenen, (3) ‘Vlakbij de/ Oude Doelen/ Maakten wij de/ nieuwe doelen/ En konden ons even/ Straatsterren voelen’.

De spreker in het Pinto-huis verhaalde inmiddels over zijn kennismaking met straatpoëzie. Die kwam, toen hij eindelijk kon lezen en las wat er te lezen stond op de bestelauto van zijn oom Bart van twee hoog: ‘Gun ze/ Roggebrood/ van de Hunze’. Dat was zeventig jaar geleden, maar de spreker was er nog altijd niet over uit gesproken.

Waarna Fausto van Bronkhorst onthulde waar het Zwarte Plein zich precies bevond en iemand mij vertelde dat Judith Herzberg het niet wilde, haar naam op de tegel met het gedicht aan de gevel in de Jodenbree.

Guus Luijters schrijft wekelijks over de poëzie in de stad.