Haagse vrede, een vicepremier, en het verlangen Rutte eindelijk te lozen

Deze week: het verhaal achter de plotselinge hang naar constructieve politiek.

Ofwel: een ontluikend verlangen naar een nieuwe Haagse waterscheiding (en het einde van Rutte).

We kennen het tafereel allemaal. Mensen – meestal mannen – die je zondagsmiddags in een blinkend nieuwe sportauto tachtig op een provinciale weg ziet tuffen. Je denkt: ik neem aan dat ze het zelf wel begrijpen.

Evengoed is het modern Nederland: een sobere openbare ruimte, en private rijkdom die eigenlijk niet meer in de samenleving past.

Het waren in zekere zin ook de thema’s van de voornaamste politieke week van het jaar – Prinsjesdag en de Algemene Politieke Beschouwingen. Met VVD-voorman Klaas Dijkhoff als sleutelfiguur keert het land terug naar een periode van correcties op het kapitalisme, al blijft in het midden hoever dit zal reiken.

Het gaat gepaard met een tijdelijk verlangen naar depolitisering, waarbij politici hardop durven nadenken – met het algemeen belang, niet het eigenbelang, als uitgangspunt.

Zodoende werd het een fascinerende Haagse week. Weinig spektakelleegte, geen trivia, veel nieuwe ruimte: de politiek op zoek naar haar constructieve kern.

Nu hoefde je niet ver te zoeken om te zien dat de maatschappelijke werkelijkheid anders is.

Toen ik dinsdagmiddag in afwachting van de Troonrede door de Haagse binnenstad wandelde, stonden dagjesmensen op het Toernooiveld rijen dik op de koets met het koninklijk paar te wachten. Daar vlak achter, op de Lange Houtstraat, maakte Edwin Wagensveld, straatprovocateur van Pegida, tegen een agent misbaar over boerka’s. De agent reageerde amper, Wagensveld kreeg luidruchtig bijval van passerende Hagenezen.

Het moment dat de koets passeerde bracht een ander tijdsverschijnsel in beeld. Al die honderden dagjesmensen op de achterste rijen deden geen enkele poging de koets met eigen ogen waar te nemen. Uit Breda waren ze gekomen, uit Gorinchem, ik sprak verdwaalde Duitsers. En ze deden allemaal hetzelfde: alsof ze bij een popconcert waren, volstonden ze door op goed geluk hun smartphone boven het hoofd te houden.

Niemand zag iets – maar iedereen kon later zeggen dat hij er geweest was.

Prinsjesdag draait alleen nog om symboliek en formaliteiten. De feiten van Prinsjesdag, neergelegd in de Miljoenennota, waren ook dit jaar al sinds het weekeinde uitgelekt. Een redelijk sterke economie en uitbundige koopkrachtverbetering in 2020 – tenzij je gepensioneerde bent.

Maar het contrast tussen de politieke tevredenheid en de nationale beleving van die cijfers was groot. Maandag leerde een enquête van EenVandaag dat slechts 12 procent van de bevolking zelf verwacht er volgend jaar op vooruit te gaan. Met je koopkrachtplaatjes.

Het wantrouwen deed bij momenten denken aan de nadagen van Paars II (1998-2002), toen de opkomst van Pim Fortuyn liet zien dat de jarenlange tevredenheid van Den Haag over de eigen prestaties de basis legde onder een volksopstandje.

Terug op het Binnenhof liep ik meer slecht nieuws tegen het lijf. In de Kamer dronk iemand een glas die eerder meeonderhandelde over het pensioenakkoord. Door de gedaalde rente wist hij zeker dat een hervorming van het pensioenstelsel, een voorname reden dat het kabinet miljarden stopt in aanpassing van de AOW, nu praktisch onmogelijk is.

Verderop passeerden politici die terugkeerden van de Troonrede. Allemaal mensen die vandaag geen steentje in hun schoen wilden krijgen. Later in de middag zag ik hoe het Kamerlid Erik Ziengs (VVD) zijn collega Tunahan Kuzu (Denk) de rug toekeerde om de binnenkant van zijn kostuumkraag te laten zien: er was in een cursieve letter ‘Prinsjesdag’ in gestikt.

Na de aanbieding van de Miljoenennota door minister Wopke Hoekstra (Financiën, CDA) trof ik in mijn telefoon een document dat ooit een ankerpunt op Prinsjesdag was, maar door het vroege lekken nog slechts een afterthought is: het oordeel van de Raad van State over de begroting.

Het hoogste adviesorgaan van de regering was kritisch over het loslaten van de begrotingsdiscipline en de breuk met de zalmnorm. Je hoorde er dinsdag amper iemand over. Geen klein bijeffect van alle primeurs: het institutionele tegengeluid gaat verloren.

Want toen dit advies net geland was, publiceerden NRC en het AD alweer interviews waarin Hoekstra uitlegde dat het investeringsfonds van Rutte III voor „tientallen miljarden” euro’s projecten wil financieren. Superieure spin. Daar ging de begroting, met de Raad van State erbij: het gesprek verplaatste zich naar uitgaven die niet eens in de Miljoenennota stonden.

Ik wandelde naar Algemene Zaken, waar we met wat dagbladjournalisten een uurtje met premier Mark Rutte (VVD) in het Torentje zouden praten. De meeste van deze verslaggevers zijn volledig ingespeeld op het bijna dagelijkse vraag-en-antwoordspel met de premier, en je kunt zeker niet zeggen dat ze zich als stroopsmeerders opstellen.

Rutte weet dit. Maar hij vat kritiek nooit persoonlijk op, en kan daarom iets wat bijna geen andere politicus kan: hij vergroot zijn fouten uit. „Episch mislukt” was de afschaffing van de dividendbelasting. De aanpak van problemen bij de Belastingdienst „is ook spectaculair niet gelukt”.

Een klassieker: wie zich kwetsbaar kan maken, laat zien hoe onkwetsbaar hij is.

En dus werd dat gesprek al snel een uitwisseling over beleid op een detailniveau dat me wel interessant maar niet heel publicabel leek.

Ik dwaalde af naar zijn bureau, waar Huizinga’s Herfsttij der Middeleeuwen lag, maar ook een boekje over ‘Meester Ben, 44 jaar voor de klas in de Schilderswijk’. In kastjes en op planken achter het bureau was het een potpourri van fotootjes, herinneringen en presentjes. Hier Merkel, daar het nationale hockeyteam.

Een topambtenaar vertelde me ooit dat Henk Kamp, VVD-coryfee en in de periode 2002-2017 minister op vier departementen, de gewoonte had foto’s of kunstwerken in zijn werkkamer te vervangen met het oog op de volgende bezoeker. Mensen moesten zich goed voelen. Iets zei me dat Rutte dit gebruik ook hanteert.

Hij liet merken dat hij heus wel doorheeft hoe de vlag ervoor hangt in het land. „Ik lul met iedereen op straat die ik tegenkom.” Uiteindelijk staan Nederlanders allemaal „mopperend voor elkaar klaar”, vertelde hij met lichte spot.

Het bijzondere: zelf kan hij blijkbaar nog steeds elke dag opnieuw beginnen. Zijn concurrenten zoeken eerst een imago dat bij ze past en electoraal succes brengt – en houden daaraan krampachtig vast. Bij hem is zijn flexibiliteit zijn imago, het stelt hem in staat bijna elke positie in te nemen.

Tien jaar terug premier van een kabinet waar rechts zijn vingers bij aflikte, nu de liberale baas van een coalitie die het kapitalisme gaat corrigeren – en niemand die zegt: maar wat klopt hier niet?

Het kan komen doordat de constructieve kern, deze week ineens populair, er bij hem altijd heeft ingezeten.

Al bleek aan het einde van Prinsjesdag, in Met het Oog Op Morgen, dat het ondanks de nieuwe geest in Den Haag zeker niet betekent dat alle concurrentie nu vervalt: vicepremier Hugo de Jonge (CDA) merkte lichtvoetig op dat een volgend kabinet-Rutte hem geen goed idee lijkt.

„Na Rocky 1, 2 en 3 hadden we het ook wel gezien.”

Het grote debat van woensdag begon met de schok van een vermoorde advocaat, en dit had ook een cynisch effect. Fractievoorzitters zijn erop gespitst de avondjournaals te halen, en nu wisten ze al voor het begin van de vergadering dat zij, wat ze ook deden, nooit het verhaal van de dag zouden worden.

Pieter Heerma (CDA) en Rob Jetten (D66) debuteerden als fractievoorzitter bij de Algemene Beschouwingen. Oppervlakkig hebben zij een paar dingen gemeen: ze worden intern gewaardeerd om hun constructieve houding, en zijn vooral op sociaal-economisch gebied minder liberaal dan hun voorgangers Sybrand Buma en Alexander Pechtold.

Dit valt niet zo op omdat Dijkhoff de grootste beweging op dit gebied maakt. Hij is de eerste VVD’er in decennia met uitgesproken kapitalismekritiek, vooral op de fiscale moraal van bepaalde grote ondernemingen. Hij verpakte dit woensdag in een romantiserend verhaal over het oude Philips, dat in Eindhoven zijn innovatieve status decennialang combineerde met een bijdrage aan de sociale infrastructuur van de stad.

Zijn moraal: als ondernemingen hun maatschappelijke rol niet zien, hoeven ze niet langer op de invloedrijkste liberale partij van het land te rekenen.

Natuurlijk: opportunisme speelt hierbij een rol. De VVD wil niet langer overkomen als de partij die ‘de graaiers’ ontziet. Tegelijk is het interessante aan Dijkhoff dat hij ondogmatisch durft te zijn. Als de SP ideeën over winstdeling oppert, wijst hij die niet vanzelfsprekend af. Ook dan zegt hij: daar wil ik over nadenken.

Zo is Dijkhoff in de praktijk de stuwende kracht in dit hele debat. Hiermee legitimeert de VVD alle andere niet-populistische partijen hun kapitalismekritiek verder op te voeren: ziedaar de verklaring voor de voornaamste inhoudelijke beweging van deze week.

Het bracht positioneringen die je in geen vijftig jaar zag. Historisch gezien was het meest absurde voorval dat CDA-voorman Heerma de liberaal Rutte prees omdat hij de looneisen van de vakbeweging links was gepasseerd.

Jesse Klaver (GroenLinks) voegde er kritiek op de politieke cultuur aan toe. Meer debatten op hoofdlijnen en afscheid van de ‘scorebordpolitiek’, een van zijn specialismen waarbij het niet primair draait om beleidskeuzes maar om het ‘winnen’ van debatten.

Het zal oprecht bedoeld zijn, maar ook dit had opportunistische trekjes. GroenLinks was de laatste jaren, ook intern, erg bezig een brede volkspartij te worden. Maar door de terugkeer van de PvdA – winst bij de Europese verkiezingen in mei, grootste op links in de meeste peilingen – vervaagt die optie.

PvdA-leider Lodewijk Asscher is bovendien de man met wie de coalitie het liefste zakendoet voor een meerderheid in de senaat. Dit gaf de partij deze week op papier een sterke onderhandelingspositie.

Maar door Klavers afscheid van de ‘scorebordpolitiek’ sprak hij woensdag meteen steun uit aan het Belastingplan (een cruciaal onderdeel van de begroting), zodat Rutte III geen poging meer hoefde doen om de stemmen van Asscher binnen te hengelen, bijvoorbeeld met toezeggingen voor meer onderwijsgeld.

Niet voor niets benadrukte de PvdA-leider donderdagavond het belang van politieke strijd. Het voornaamste contrapunt in een week van depolitisering.

Al kon je de week ook zien als illustratie van de continuïteit in de politiek. Rutte II, een VVD-PvdA-coalitie, werd in de senaat overeind gehouden door D66, ChristenUnie, SGP en soms het CDA. Rutte III, een coalitie van VVD, CDA, D66 en ChristenUnie, wordt straks in de senaat overeind gehouden door PvdA, GroenLinks en soms de SGP.

Dus zoveel verandert er ook weer niet. En toen je Rutte donderdagavond soeverein het grote debat zag afronden, flitste me even door het hoofd dat nog in 2017 de meeste partijen samenwerking met hem hoopten te ontlopen. Daar verloor je te veel kiezers mee. Nu willen ze allemaal weer zaken met hem doen.

Maar alle constructieve taal neemt niet weg dat de ontevreden burgers politiek tegengeluid verlangen, anders stappen ze over naar partijen die de orde omver willen werpen.

Aan de andere kant: als je deze week goed luisterde, kon je al zien aankomen dat de nieuwe speurtocht naar elkaars constructieve kern in feite het voorspel van nieuwe strijd is. Asscher heeft zich al openlijk gemeld. Maar ook die opmerking van De Jonge in Het Oog sprak boekdelen.

In het CDA vermengen zich hier frustratie en hoop. De partij probeerde onder Buma de VVD op culturele thema’s (migratie, integratie) rechts te passeren: het is nooit gelukt. En je hoort ze daar nu zeggen: als het CDA de kritiek op het neoliberalisme verder weet op te voeren – over flexwerk, zzp’ers, woningmarkt, marktwerking in de zorg – zal de VVD ervaren wat wij de laatste jaren ervoeren bij migratie en integratie: ze kunnen ons nooit bijbenen, dat trekt hun achterban niet.

Zo speculeren ze er in het CDA op dat we deze week getuige waren van een nieuwe waterscheiding in Den Haag. Het vergt voor die partij, maar ook voor andere partijen in het midden en op links, dat kritiek op het neoliberalisme c.q. het kapitalisme na deze week het hart van het politieke debat blijft. Omdat dit voor die partijen de kansrijkste manier lijkt te zijn om de kiezer, zoals De Jonge al zei, te overtuigen dat een kabinet-Rutte IV te veel van het goede zou zijn.

En zo was deze fascinerende week een tijdsbeeld en vooraankondiging. Politici van alle gezindten die getuige waren van een nieuwe gehoopte werkelijkheid – zoals die mensen die dinsdag hun smartphone boven hun hoofd hielden toen de koets passeerde, in de hoop dat ze later konden bewijzen dat ze erbij waren geweest.