Wie heeft sheaboter op zijn hoofd?

Wat eten we? In de supermarkt zijn twee nieuwe margarines met shea butter in plaats van palmolie. Klinkt duurzaam, maar dat vindt niet iedereen.

Slimme marketing is: de tijdgeest aanvoelen. Becel en het nieuwe merk The Flower Farm doen dat allebei. Zij hebben nu margarines met sheaboter in plaats van palmolie. „Omdat we de keuze willen bieden aan consumenten die op zoek zijn naar producten zonder palmolie”, zegt een woordvoerder van Becel. „Omdat palmolie het regenwoud vernietigt”, zegt eigenaar Marcel van Wing van The Flower Farm. Een nuanceverschil. Komen we zo op.

Sheaboter, karitéboter, is een prachtig product. Het zit in cosmetica en is vet voor voeding. Op de Afrikaanse savannen rapen vrouwen de bonen van de boterboom. Bossen worden er niet voor gekapt, voor plantages is de boom ongeschikt, alleen al omdat het wel vijftien jaar duurt voor hij vrucht draagt. Dat maakt meteen dat shea nauwelijks ‘schaalbaar’ is. Zo’n 700.000 ton is er nu jaarlijks te verdelen, de helft voor de export. Een druppel vergeleken met palmolie: wereldwijd 70 miljoen ton, waarvan 300.000 ton in Nederlandse voeding terechtkomt, 65.000 ton in de margarine, volgens de brancheorganisatie voor olie en vet MVO.

De wereld slurpt palmolie. Met als gevolg: ontbossing, minder biodiversiteit, ontwrichting van lokale gemeenschappen en meer. Dat er van alles fout gaat bij de productie van palmolie ontkent niemand. Wat je eraan moet doen: daar scheiden de wegen. Palmolie heeft grote voordelen, zegt niet alleen MVO, maar ook het Wereld Natuur Fonds en Solidaridad. Geen gewas levert zoveel olie per hectare op als palm. Alternatieven verplaatsen het probleem, vindt WNF. De directeur van Solidaridad, Heske Verburg, zegt: „Hoe en waar denken die zogenaamd groene ondernemers die dan te verbouwen? Hoe meer vraag naar duurzame palmolie, hoe meer overheden daar werk van maken, hoe beter voor boeren en bossen.”

De industrie zet alle kaarten op duurzame palmolie met het keurmerk RSPO. Ook Becel, dat dus helemaal niet tégen palmolie is. Negentig procent van de palmolie in Nederlandse voeding heeft inmiddels zo’n keurmerk. Unilever en Upfield (dat Becel overnam van Unilever) zeggen dat ze 99 respectievelijk 100 procent ‘fysiek’ duurzame palmolie gebruiken. Waarbij ‘fysiek’ betekent: van bron tot eindproduct, en duurzaam dat er geen bossen voor sneuvelen en dat de kleine boeren en arbeiders op plantages een fatsoenlijk bestaan hebben.

Was het maar zo simpel, zeggen critici. Een keurmerk voorkomt niet dat afspraken worden geschonden. Ze wijzen naar de recente bosbranden in Indonesië, hoewel die meer oorzaken hebben dan het kaalbranden voor plantages. Het is de palmolie-industrie, berekende het Center for International Forestry Research, die in 8 jaar tijd 39 procent van het verlies aan biodiversiteit op Borneo veroorzaakte. Foto’s van vluchtende orang oetans doen de rest van de anti-pr.

Maar CIFR zei ook: de ontbossing door uitbreiding van plantages is vorig jaar gedaald van 28,5 naar 22 procent. En dát, zeggen pro-palmers, was nooit gelukt zonder keurmerk RSPO, dat druk houdt op regeringen en producenten.

Marcel van Wing ziet The Flower Farm als „de nieuwe Tony’s Chocolonely”, hij hoopt op „bewustwording”. Verburg van Solidaridad noemt ondernemers als Van Wing „duurzaamheidsprofiteurs”. „Wie palmolie boycot, ondermijnt het draagvlak voor verduurzaming en laat de boeren en het regenwoud in de steek.”