Opinie

Wachten op de zin van het leven

Michel Krielaars

Onmiddellijk na de dood van een geliefde schrijver wil je vaak niets liever dan zijn boeken uit de kast trekken om je favoriete passages te herlezen. Alsof je ze pas nu echt kunt begrijpen en je ineens veel intiemer met je favoriete personages bent. Nu werd ik na het overlijden van György Konrád, vorige week vrijdagavond, min of meer gedwongen me in zijn oeuvre te verdiepen, omdat ik een half uur de tijd had om voor de zaterdagkrant een necrologie te schrijven (waarin ik in mijn haast de fout maakte dat Konráds ouders door de nazi’s waren vermoord terwijl ze de oorlog in werkelijkheid overleefden).

Nadat de krant eenmaal ter perse was, begon het echte lezen, dat tot in de nacht duurde. Het was een tuinfeest van herkenning. Na al die jaren besefte ik ineens dat Konrád eigenlijk steeds maar weer hetzelfde boek had geschreven: het verhaal van zijn leven, waarin hij van de hak op de tak springt. Hij mijmert daarin vooral over de moord op de Hongaarse Joden, de daaropvolgende communistische dictatuur, de Hongaarse opstand van 1956, die hij als een ‘doorlopende bioscoopvoorstelling’ heeft ervaren, de dissidentenbeweging en het bedrieglijke niets van na de val van de Muur in 1989. Het is een vol leven, waaruit je menig recht-toe-recht-aanverhaal zou kunnen putten, wat Konrád echter nooit doet. Het geheim van wat hij wél schrijft lees je in zijn laatste, door Mari Alföldy zo mooi vertaalde herinneringen Slingerbeweging uit 2008: ‘Waar ik op wacht? Op de zin van mijn leven.’

Alsof die zin er door de Jodenmoord en de communistische dictatuur nooit is geweest. Alsof Konrád ergens altijd dacht dat hij ten onrechte leefde en, net zoals zijn Joodse speelkameraadjes, allang dood had moeten zijn, en dat hij sinds 1945 in een onophoudelijke droom ronddoolde. Vandaar dat hij zo graag kuierde door zijn zelfgeschapen, imaginaire stad Kandor, waar hij naar hondenbezitters en babysitters in parken keek, waar hij in cafés zijn glaasje pálinka dronk en verliefd werd op steeds weer andere vrouwen.

En altijd weer heeft hij het over zijn Joodse komaf, die hem als een vloek achtervolgde. Werd hij als kind door de Duitse en Hongaarse nationaal-socialisten uitgekotst, onder het communisme was het niet veel beter, omdat hij toen ineens tot bourgeois, en dus als klassenvijand, werd bestempeld. Het enige verschil met de nationaal-socialisten was dat de communisten hem niet wilden vermoorden, maar heropvoeden en tot loyaliteit dwingen. En vergeet 1990 niet, toen een christelijk-nationale regering in Hongarije de moord op de Joden vergoelijkte, omdat zij de oorzaak zouden zijn geweest van veertig jaar communisme.

Konrád verbaast zich nog altijd over het nuchtere handelen van de Jodenmoordenaars. Ze deden hun werk, meer niet. Ze geloofden dat de Joden op hun ondergang uit waren en ze hen daarom moesten vermoorden, meer niet. In Slingerbeweging noemt hij hun gedrag collectieve opschepperij, die tot collectieve haat tegen een andere gemeenschap leidt.

De afgelopen jaren keerde hij zich ineens tegen het islamisme, dat hij op een lijn stelde met het nationaal-socialisme en het communisme. Hij zag het als een vorm van collectieve haat jegens de anderen. In dat opzicht was het een herhaling van zetten, die zijn leven opnieuw elke zin ontnam.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.