Opinie

Nieuw slot

Marcel van Roosmalen

De overbuurman van mijn moeder belde: ze kreeg de voordeur niet makkelijk open. Iets met de sleutels of het slot, maar hij dacht vooral aan ‘snel een nieuw slot’. Hij had haar al twee keer geholpen, ze stond dan binnensmonds naast hem te vloeken. Ongevraagde suggestie: ik zou, als ik het te druk had, natuurlijk mijn zus kunnen bellen om het te komen oplossen.

Mijn zus was me voor, ze belde vanuit de kantine in het ziekenhuis waar ze werkt.

„Ja, het voordeurslot”, zei ik.

Ze wist het al van een andere buurtgenoot van mijn moeder, ze kennen elkaar meer dan veertig jaar, en had van haar ook het vriendelijke verzoek ontvangen of we ‘moeders een beetje aan het lijntje kunnen houden’.

„Het is vaak wat veel. We hebben genoeg aan onszelf.”

We wisselden ervaringen uit.

„Gisteren vond ik een beschimmeld brood, dat heb ik weggegooid.”

Ik begon over de rottende druiventrossen onder de carport.

Haar hulp was opgestapt, de tijdelijke vervanging was een jongen van zeventien, die ‘van slag was geraakt’ omdat mijn moeder hem op zijn vrije dag de opdracht gaf om haar portemonnee te komen zoeken.

„En nu?”, vroeg ik aan mijn zus.

Ze had vrijdag een gesprek met het nieuwe ‘hoofd zorg’ over meer hulp en ondersteuning.

We hadden het voor het eerst over een verzorgingstehuis. Ik zei dat ze maar bleef herhalen dat ze dat absoluut niet wilde.

„Maak me dan maar dood.”

De laatste keer dat ik het ter sprake bracht, blies ze geagiteerd met een tuitmondje over haar beker, ze verwarmde de melk sinds kort in het Senseo-apparaat.

„Ik neem denk ik een tatoeage, hier …”

Ze wees naar haar hals. „Dat je niet gereanimeerd wilt worden?” „Nee. ‘Ik blijf thuis wonen’. In blokletters.”

„De insteek is dus thuis blijven wonen”, concludeerde mijn zus, die het jargon kent.

Wonderlijk hoe snel je ook weer aan jezelf denkt.

Ik memoreerde nog maar eens dat ik op tweehonderd kilometer afstand woon, zij benadrukte dat ze een fulltime baan en een gezin heeft en dat het voor haar ook niet altijd makkelijk was om daar soms twintig keer achter elkaar gebeld te worden.

In de gang van mijn moeders huis, naast de kapstok, hangt al decennia een houten bordje waarop met koperen letters ‘Van het concert des levens krijgt niemand een program’ staat, volgens een artikel uit Onze Taal (2010) de meest voorkomende spreuktegel.

Ik zuchtte, zij zuchtte.

We wisten al wel dat dit een van de laatste hoofdstukken zou worden en dat het verhaal waarschijnlijk niet vrolijk naar een einde zou kabbelen.

Ze ging praten met het nieuwe ‘hoofd zorg’, maar die ging natuurlijk niet over sloten van de voordeur.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.