Recensie

Recensie Boeken

Jonathan Littell smijt je alle drek van de wereld in je gezicht

Jonathan Littell De schrijver van De welwillenden sleurt ons vakkundig door een gruwelijk universum dat leest als een gewelddadige, perverse nachtmerrie.

Foto Istock

In een recent boek vertelt de Franse schrijfster Lydie Salvayre hoe ze een nacht alleen op een veldbed doorbracht in een tête-à-tête met ‘L’homme qui marche’ (De lopende man), het beroemde beeld van Alberto Giacometti. Een voorrecht! Ze verwachtte een grootse ervaring – ze kon in haar eentje een hele nacht de uitstraling van het beeld tot zich nemen. Het werd een afschrikwekkende mislukking: ze was bang van het beeld, ervoer het als een bedreiging, de ogen, de houding van de man – alles joeg haar vrees aan. Ze had de indruk de nacht door te brengen met de verpersoonlijking van de dood. Geen enkele schoonheid ervoer ze, geen hoop, geen sprankje humor of vreugde.

Wie Een oude geschiedenis van Jonathan Littell (1967) openslaat begint aan een vergelijkbare leeservaring – in duizendvoud. In zeven hoofdstukken sleurt de auteur ons vakkundig door een gruwelijk universum dat voor het grootste deel leest als een gewelddadige, perverse, repetitief pornografische nachtmerrie.

De ik-persoon is een personage op de vlucht. Waarvoor en waardoor blijft onduidelijk. Als in een bad trip rent hij panisch van de ene naar de andere gruwelkamer; wanneer hij een deurklink voelt, drukt hij hem naar beneden – op naar het volgende tafereel. Net als in een vroege Robbe-Grillet komt hij terecht in uitgestorven straten, hotelkamers met naamloze mensen, gangen, nissen, douches. Soms belandt hij in oorlogssituaties, waar sluipschutters slachtoffers maken, gewonden sterven en explosies nooit ophouden. Hij drinkt, snuift de nodige lijntjes cocaïne, belandt in orgieën.

Voortjagende visioenen

Littels obsessieve monologue interieur bestaat uit voortjagende visioenen vanuit het perspectief van personages met wisselende, onduidelijke identiteiten: mannen, vrouwen, meisjes, een jongen, mannen in vrouwenjurken, vrouwen die op aberrante manier worden ge- en misbruikt. Vrouwen krijgen bevelen, klappen, worden vernederd – je moet het maar durven, in een hedendaags boek vrouwenlichamen zo klassiek als puur seksuele gebruiksvoorwerpen neerzetten. Dat geldt overigens ook voor mannenlichamen. Ook de jeugd wordt niet gespaard: terugkerend figuur is een kleine jongen, die getuige is, of gruwelijk wordt vermoord.

Littell smijt je alle drek van de wereld in je gezicht, hij vermaalt je, verkracht je, verminkt je totdat je nauwelijks meer kunt ademen

Als de verteller geen getuige is van martelingen, moord of ander geweld, als hij geen seksuele handelingen verricht of ondergaat, en daarbij ‘geniet van het gevoel van macht’, doorgaans op groen met goudgele lakens, heeft hij het koud. Dan beeft hij. Of hij heeft honger. Dan eet hij groene appels of langoustines, dan doemt een reproductie op van Da Vinci’s ‘Dame met de hermelijn’, of klopt de buurvrouw aan met het verwijt dat hij een elektriciteitsstoring veroorzaakt.

Gewelddadige excessen

Littell schiep een dwingend literair universum, een wereld die je opslokt en verdwaast. Die van de Roemeense schrijver Mircea Cartarescu en zijn vele metaforen is er ook zo een – maar dan zonder Littells gewelddadige en fysieke excessen. Je vindt ze ook bij Algerijnse auteurs die de waanzin en de wreedheid van dictaturen verbeelden: guerrilla, burgeroorlog, het gevangenisbestaan. Littell daarentegen schotelt ons een particulier fantasme voor, dat draait om obsessief verlangen: het lichaam is bron van en middel tot genot en pijn, wordt wreed en pervers gebruikt, verminkt, gedood. Zijn universum is genadeloos en ziekelijk inhumaan.

Lees ook de recensie van de opera gebasseerd op Littells controversiële roman De welwillenden

In zijn veelbesproken roman De welwillenden (prix Goncourt 2006) liet Littell al zien hoe vakkundig hij een dergelijk universum kan scheppen. Sindsdien publiceerde hij onder meer boeken over de schilder Francis Bacon, over de extreem-rechtse Léon Degrelle, en maakte hij een film over kindsoldaten in Oeganda. Vorig jaar kreeg hij voor dit nu vertaalde boek de Prix Sade. Dit keer verrichtte Littell geen jaren historisch onderzoek, maar putte hij uit zijn verbeelding, wellicht gevoed door zijn vroegere oorlogs- en onderzoekservaringen. In 2012 publiceerde hij onder dezelfde titel een boek met twee hoofdstukken, in deze aangevulde ‘nieuwe’ versie zijn het er zeven.

Waar Lydie Salvayre haar individuele traject beschrijft, met al haar woede en onbegrip ten opzichte van het angstaanjagende beeld van Giacometti, smijt Littell je alle drek van de wereld in je gezicht, hij vermaalt je, verkracht je, verminkt je, plet je totdat je nauwelijks meer kunt ademen. Salvayre deed ’s nachts geen oog dicht, naast het beeld van Giacometti. ’s Morgens vroeg, toen de eerste museummedewerker bij het museum aankwam, stond ze klaar bij de deur. Ze wilde weg. De wereld in, het licht in, naar dialoog, naar schoonheid, op zoek naar liefde, zachtheid en menselijkheid. Na de leeservaring van Littell verlang je daar hartstochtelijk naar – duizendvoudig.