Recensie

Recensie Muziek

Fluwelen bariton Gerhaher zingt elk lied haarfijn

Klassiek Na jaren lukte het de serie ‘Grote Zangers’ in het Amsterdamse Muziekgebouw eindelijk om de Duitse bariton Christian Gerhaher binnen te halen. Hij gaf de liederen van Moessorgski een donker en ironisch rafelrandje.

Christian Gerhaher maakt naar eigen zeggen „vocale kamermuziek” met zijn vaste pianist Gerold Huber.
Christian Gerhaher maakt naar eigen zeggen „vocale kamermuziek” met zijn vaste pianist Gerold Huber. Foto Gregor Hohenberg

Lied, zo zegt het cliché, is voor kenners en vraagt minstens 40 jaar muziek- én levenservaring. Bariton Christian Gerhaher maakt daar met zijn onafscheidelijke compagnon Gerold Huber op de vleugel in een avond korte metten mee. Met liederen van Britten, Brahms en vooral Moessorgski leken ze in het Muziekgebouw in Amsterdam te willen zeggen: u hoeft geen enkele moeite te doen, dat doen wij wel voor u.

Ze zien zichzelf niet als liedzanger of liedpianist, zei Gerhaher vorig jaar nog in een interview met The New York Times. Ze maken samen „vocale kamermuziek”. Met zijn rechte rug, pandjesjas, hoffelijk strenge blik en bescheiden houding als hij niet zingt, kun je Gerhaher gerust een lakei van het lied noemen. Het past allemaal bij zijn manier van zingen: tot in de puntjes weloverwogen, maar zo vrij als mogelijk van eigen interpretaties of gevoelens. Met de grootste zorg biedt hij de edele dames en heren publiek de gevraagde Britten en Brahms aan, die daar vervolgens naar hartenlust in mogen wroeten en graven op zoek naar hun eigen emoties.

Het wordt alleen al mogelijk door zijn ongelofelijke verstaanbaarheid. Zelden vind je een avond lied waarop elk woord zo haarfijn de hoeken van de zaal vindt. Dat Gerhaher ze ook nog op een fluwelen stem presenteert, maakt dat je het hele concert genietend achterover zou kunnen leunen.

Opvallend: de Gerhaher op het podium is heel anders dan de Gerhaher op zijn recente albums. Hij zingt minder licht en evenwichtig maar met veel meer dynamische contrasten. Gelukkig maar, want vooral de indrukwekkende Liederen en dansen van de dood van Moessorgski gedijen het best met een donker en ironisch rafelrandje. Hij maakt de Dood een gewiekste en gladde, maar toch flirterige figuur, waar je nekharen recht van overeind gaan staan. Alleen de uiterst vrome bijbelse liederen van Dvorák hield Gerhaher dan weer licht op de vlakte. Leken (in geloof of lied), die plots weinig bodem om in te wroeten hadden, waren hier wel gebaat geweest bij meer persoonlijke invoeling.

Ietwat zorgelijk was dat Gerhaher in het laatste half uur plots verviel in regelmatig keelgeschraap en af en toe zelfs een gebroken toon. Het dwong hem tegen het einde even de coulissen in te duiken, wat gelukkig veel oploste. Huber daarentegen was van begin tot eind rotsvast.