Opinie

De vernederde Hongaren

In Europa

Bijna dertig jaar geleden werkte de Franse journaliste Marion Van Renterghem, net afgestudeerd jurist, een jaar op het advocatenkantoor Nagy és Trócsányi in Boedapest. Het kantoor had grote Franse klanten die, na de val van de Muur, snel de Hongaarse markt op wilden: hotels, supermarkten, enzovoorts.

Het was een fantastische tijd, schrijft ze in haar recente boek Mon Europe, je t’aime moi non plus (1989-2019). Iedereen pionierde. De toekomst lag volledig open. Op het kantoor werd hard gewerkt en gefeest. Viktor Orbán, piepjong, was ieders held: als eerste bekritiseerde hij openlijk de Sovjetbezetting van Hongarije. Als hij sprak, schrijft Van Renterghem, had je tranen in je ogen.

Van Renterghem moest contracten nalezen op correct Frans, en ze corrigeren. Haar baas, Lászlo Trócsányi, was een hartelijke man die in België Frans had geleerd. Aan het eind van de week betaalde hij iedereen contant uit, met envelopjes uit een metalen doos. Ze heeft haar oude visitekaartje nog, met een prehistorisch faxnummer erop.

Diezelfde Lászlo Trócsányi werd minister van Justitie onder Orbán. Nu stuurt Orbán hem naar Brussel als eurocommissaris. Op 30 september beginnen de hoorzittingen van de kandidaat-commissarissen in het Europees parlement.

Op 1 oktober is Trócsányi, die Uitbreiding moet gaan doen, aan de beurt. Het belooft een pittige sessie te worden. De EU is een artikel 7-procedure gestart tegen Hongarije, omdat de rechtsstaat er onder druk staat. Trócsányi vertegenwoordigt het regime dat hiervoor verantwoordelijk is. Parlementariërs rollen graag met de spierballen. Er sneuvelt altijd wel één beoogd commissaris. Soms zelfs meer. Trócsányi staat hoog op het lijstje potentiële slachtoffers.

Voor haar boek zocht Marion Van Renterghem, die lang voor Le Monde heeft gewerkt, hem weer op. „Ik wilde begrijpen hoe iemand die ik mag en respecteer, die toen niet gepolitiseerd was maar open leek te staan voor de wereld met zijn verschillende facetten, zichzelf zó dienstbaar kan maken aan een regering die de oppositie verstikt, burgerlijke vrijheden beperkt, de filantroop George Soros op een bijna antisemitische manier tot vijand uitroept, weigert mee te doen met de verdeling van vluchtelingen over Europa, de Europese Unie ondermijnt en de ‘illiberale’ democratie verdedigt.”

In Trócsányi’s kantoor, later in een restaurant en de volgende dag wéér op kantoor, werpt ze hem alles voor de voeten. Ze tutoyeren elkaar. Eerst somt hij alle buitenlandse overheersingen op waar Hongaren onder gezucht hebben – van de Habsburgers, nazi’s en Sovjets tot nu, als enig Hongaarssprekend land in Europa. Dan vertelt hij hoe vaak Hongarije zich vernederd voelt in de EU. Eerst president Chirac, die in 2003 zei dat die ‘nieuwe landen’ maar geen lid moesten worden als ze Amerika in de Golfoorlog wilden steunen. Toen de viering van de uitbreiding met tien nieuwe landen in 2004, op de Grand-Place in Brussel: de vijftien ‘oude’ lidstaten waren in geen velden of wegen te bekennen. Niemand was gekomen. Alleen met de burgemeester van Brussel zongen de tien ambassadeurs het Europese volkslied.

En al die contracten met westerse bedrijven waar zij samen aan gewerkt hadden, dat waren wurgcontracten. Hongaarse gemeentes tekenden uit zwakte. De arrogante Fransen weigerden ze te herzien, ook later. Zo gaat het door, bladzijdenlang. Over vluchtelingen, grensbewaking, justitiehervorming. „We hebben een misverstand over identiteit, Marion. (…) Je kunt ons niet dwingen te zijn wat we niet willen zijn.” Het gesprek blijft amicaal. Maar „we draaien rondjes, Lászlo en ik”.

Na lezing van dit boek, waar veel meer boeiende passages in staan, vraag je je af hoe Trócsányi straks door die hoorzitting komt. En of wij niet eens wat harder moeten proberen om Midden- en Oost-Europa te helpen om van dat gekrenkte gevoel, dat gevoel van vernedering, af te komen.

Caroline de Gruyter schrijft wekelijks over politiek en Europa.