Recensie

Recensie Boeken

Armando is in zijn nagelaten bundel verrassend mild

Armando Toen Armando vorig jaar overleed lag er een bundel verhalen en gedichten klaar: Toch. Het is een onverwachte en poëtische bundel, waarin de auteur in discussie met zichzelf lijkt te zijn.

Armando bij de opening van de tentoonstelling ‘Armando in het woud’, 2014
Armando bij de opening van de tentoonstelling ‘Armando in het woud’, 2014 Foto Bas Czerwinski/ANP

De tijd is klein geworden, merkt Armando op in het laatste gedicht dat opgenomen is in Toch. Toen hij vorig jaar overleed lag er een bundel verhalen en gedichten klaar, vrijwel voltooid. Geen samenraapsel van nagelaten werk dus, gekozen door een gretige redacteur of uitgever, maar een echte bundel, een postuum maar zelfgekozen laatste woord. Toch.

Het is een typische Armando, met titels als ‘Gevecht’, ‘Bomen’ of ‘Een schot’ – wat de inhoud betreft is Armando ook in zijn laatste werk zijn thematiek volkomen trouw gebleven. Observaties over dood, oorlog en vijand worden nog steeds op een vaak scherpe en soms ook wat ongemakkelijk aanvoelende manier verwoord. En toch verandert er iets, nu Toch er is. Er is iets bijzonders aan de hand met de bundel.

Dat begint al meteen bij de titel, het op het oog onbenullige woordje ‘toch’. Dat is typisch iets wat iemand vlak voordat hij sterft nog even zegt om zijn gelijk te halen of om de gedane zaken te verzachten. De bundel is een opvallend slot na Waarom (2015) en Liever niet (2017). Het lijkt alsof Armando met zijn laatste bundels in discussie is met zichzelf, alsof hij zijn eerdere hardheid misschien wel wat wil nuanceren.

De vijand – die ook in de Toch-verhalen ruimschoots aan bod komt – is niet meer zo genadeloos

Zo schreef hij in 1976 nog de regels: ‘hier is een plek waar men oefent / de wouden staan verstijfd, verbergen zware strijd’. In Toch komen de bomen veelvuldig terug, maar er lijkt opeens mededogen te zijn, in plaats van dat ze louter als medeplichtig gezien worden. De bomen krijgen bijna iets menselijks, waar je je zorgen om moet maken: ‘Kijk, dit is een boom, / met bladerdak en bloeddruk, de bomen steken hun handen uit, / of zijn het toch takken.’ Armando verpakt de menselijkheid in een traditioneel poëtische alliteratie: bladerdak-bloeddruk. Hier is niet alleen iemand milder geworden, hij probeert er ook iets moois, iets poëtisch van te maken.

Weemoed en verlangen

Hetzelfde geldt voor de schitterende verhalen, die ook in deze bundel staan. ‘Het gevecht’ luidt bijvoorbeeld de titel van een van de verhalen – en dat was in 1976 de titel van die harde dichtbundel waaruit hierboven geciteerd werd. De vijand – die ook in de Toch-verhalen ruimschoots aan bod komt – is niet meer zo genadeloos. Het gevecht is inmiddels vermoeiend geworden, iedereen heeft er zijn bekomst van en het wordt tijd om maar eens op huis aan te gaan.

Lees ook: Armando, een kunstenaar die bleef vechten

Eind jaren negentig was de vijand nog louter een object van haat en smerigheid: ‘jij bent ik moet jou hartgrondig haten jij bent / de vijand weerzinwekkende vijand / die ik in mijn handen heb jij bent / mijn haat / jij smerige vijand jij’, klonk het toen. Dit keer stopt het gevecht tegen de vijand niet omdat alles kapot is, maar omdat het ‘wellicht een beetje onbezonnen, een beetje losbandig was waar we ons mee bezighielden, alles goed en wel’. Aarzeling, nuance, onzekerheid: ze doen soms denken aan Herenleed, de absurde conversaties die Armando in het theater en op tv met Cherry Duyns voerde.

‘Weemoed en verlangen’, zo karakteriseerden ze die conversaties indertijd zelf, en dat gaat ook op voor deze bundel, zeker aan het slot. En dat is toch een tikje onverwacht. ‘Vraag: Waar was u toen u nog leefde? Antwoord: Daarzo. Vraag: O, daarzo. Antwoord: Ja. Vraag: Bent u er nog steeds? Antwoord: O ja.’ En zo is het maar net, Armando is er gelukkig nog steeds.