Afrika was altijd een wereldspeler

Geschiedenis Lang voor de kolonisering dreef Afrika al handel met de wereld. In goud en slaven vooral. De lokale vorsten bepaalden de regels. Historicus Toby Green schreef een boek over deze weinig bekende geschiedenis.

Mansa Musa, koning van Mali tussen 1312 en 1337, afgebeeld in de Catalaanse Atlas uit 1375. Zijn rijkdom was legendarisch. Naar verluidt schonk Moussa tijdens zijn bedevaart naar Mekka in 1324 zoveel goud aan armen, dat de goudmarkt pas na jaren herstelde.
Mansa Musa, koning van Mali tussen 1312 en 1337, afgebeeld in de Catalaanse Atlas uit 1375. Zijn rijkdom was legendarisch. Naar verluidt schonk Moussa tijdens zijn bedevaart naar Mekka in 1324 zoveel goud aan armen, dat de goudmarkt pas na jaren herstelde.

Afrika heeft een geschiedenis. En die begint niet in 1883, als Europese mogendheden in Berlijn het ‘donkere continent’ verdelen. Hij begint ook niet met de Europese handel in Afrikaanse slaven, die een aanvang nam in de 16de eeuw. Tot diep in de 20ste eeuw dachten westerlingen dat zij het waren die verandering hadden gebracht in deze ‘statische’ wereld. We weten nu dat in Afrika, lang voordat de eerste Europese zeelieden er aan land gingen, koninkrijken bestonden, expandeerden, in verval raakten en door buurstaten werden overvleugeld. Geschiedenis, kortom.

Imperialistische ideologen beweerden dat zij Afrika hadden ‘opengelegd’. In werkelijkheid deed het continent al heel vroeg mee in de wereldhandel. West-Afrikaans goud, aangevoerd door de Sahara, werd al in de 9de eeuw gemunt door de emirs van Noord-Afrika. Mansu Musa, koning van het rijk Mali, ging in 1324 op bedevaart naar Mekka. Volgens een Mamelukse kroniek stonden de inwoners van Caïro versteld van de kwistigheid waarmee de koning geld uitgaf. Tot ver in de 19de eeuw dreef Europa handel met Afrikaanse vorsten op hun voorwaarden.

Toby Green, een Brits historicus die doceert aan het King’s College in Londen, doet onderzoek naar deze weinig bekende geschiedenis van Afrika vóór de kolonisering. Hij gebruikt daarvoor archeologische vondsten, verslagen van Europese ontdekkingsreizigers en memoires van Portugese, Britse en Hollandse factorijhouders, kooplieden en slavenhalers. Maar hij gaat ook te rade bij Afrikaanse bronnen. Van in het Arabisch geschreven kronieken van vorstendommen in de Sahel tot liederen en verhalen die eeuwenlang zijn overgeleverd. In Afrika is ‘geschiedenis’ vanouds een mondelinge discipline die wordt beoefend door geschiedverhalers, zoals de griots van West-Afrika, die de lof zingen van vroegere vorsten.

Goud, koper en geweven stoffen

Green verwerkte dit verrassend rijke materiaal tot een boek, A Fistful of Shells, waarin hij de historie schetst van West-Afrika, van het huidige Senegal tot wat nu Angola is. De titel verwijst naar de schelp van de kauri (Cypraea moneta), een kleine zeeslak, die tussen de 13de en de 19de eeuw in heel westelijk Afrika, van de Nigerdelta tot de Sahel, diende als betaalmiddel – naast, goud, koper en geweven stoffen. Kaurischelpen komen uit de warme wateren van de Indische Oceaan en bereikten Oost-Afrika aan boord van dhows, zeilschepen van Arabische kooplieden. Later voerden Portugezen ze aan via Kaap de Goede Hoop voor de handel met Afrikanen. Deze schelp symboliseert hoezeer Afrika al vroeg ‘globaliseerde’, dat wil zeggen: contacten onderhield met de rest van de wereld.

De oudste handelslijnen tussen West-Afrika en Europa liepen door de Sahara. De belangrijkste koopwaar bestond uit goud en slaven. Jawel, slaven. Afrikaanse vorsten hadden het recht krijgsgevangenen, gestraften of mensen die hun schulden niet konden betalen voor zich te laten werken of hen te verhandelen. Dit laatste nam in de 16de eeuw een enorme vlucht, toen er in het door Spanjaarden en Portugezen gekoloniseerde Amerika vraag ontstond naar plantagearbeiders.

Steden en vorstendommen

Het oudste exportproduct van West-Afrika is goud. Dat werd gedolven in de bossen van het huidige Ghana (vroeger ‘Goudkust’) door de Akan, een volk dat de ambachtelijke goudwinning eeuwenlang controleerde. Van de goudhandel profiteerden vooral het rijk Mali en de Sahelstaten Borno en Kano (nu het noorden van Nigeria). Aan de handelslijnen ontstonden steden en vorstendommen en via daar gevestigde koopliedengemeenschappen kwam de islam naar Afrika.

Over Mali zijn Afrikaanse griots en Arabische kroniekschrijvers als Ibn Battuta (1304-1368) het in grote lijnen eens. In zijn hoogtijdagen, in de 14de eeuw, strekte het rijk zich uit over de huidige staten Senegal en Mali. Het werd in de 13de eeuw gesticht door de Mandinka (Bambara) Sunjata Keita, volgens de overlevering een geducht jager. In de Afrikaanse traditie zijn grondleggers van rijken vaak jagers of smeden. Aan beide personages werden bijzondere krachten toegeschreven; de een zou meester zijn over de natuur, de ander kon vuur en ijzer naar zijn hand zetten.

Geletterde ambachts- en kooplieden uit Noord-Afrika en Andalusië, die zich vestigden langs de handelsroutes door de Sahara, brachten de islam naar Afrika. Heersers van Sahelrijken moesten het evenwicht bewaren tussen belijders van deze nieuwe religie en degenen die vasthielden aan Afrikaanse godsdiensten. Timboektoe, al snel een centrum van islamitische geleerdheid, kreeg in 1327 een imposant godshuis, de Djinguereber-moskee, ontworpen door een architect uit Granada. De hofculturen van Mali, zijn wat oostelijker gelegen opvolgerstaat Songhay en ook die van Borno en Kano, waren tot de 19de eeuw een mengeling van Afrikaanse tradities en islam, met muzikanten, waarzeggers en schriftgeleerden.

Tot het einde van de 15de eeuw keken West-Afrikanen voor contacten met de rest van de wereld naar de noordelijke woestijn, niet naar zee. Dat veranderde rond 1480, toen de eerste Portugese zeevaarders, op doorreis naar Indië en belust op Afrikaans goud, landden aan de westkust. Afrikaanse vorsten in het grote gebied dat nu Senegal, Guinee(-Bissau), Sierra Leone, Ghana, Nigeria, Congo en Angola is, hadden grote belangstelling voor deze nieuwkomers. Die boden koperen armbanden, ijzeren staven, geweven stoffen uit India en Europa en kaurischelpen aan in ruil voor Afrikaans goud.

Afrika raakte al snel onlosmakelijk verbonden met Europa

Toen de eerste contacten eenmaal waren gelegd, raakte Afrika al snel onlosmakelijk verbonden met Europa én met zijn nieuwe Amerikaanse koloniën. In Congo, dat de Portugezen aanvankelijk vooral trok door zijn rijke kopermijnen, bekeerde manikongo (koning) Nzika Nkuwu zich al in 1491 tot het katholicisme, de religie van zijn ambtgenoot en handelspartner in Lissabon, João II. Als doopnaam koos hij dan ook João I. Ambassadeurs werden uitgewisseld en in de 16de eeuw vestigden zich Congolese diplomaten in Portugal en zijn kolonie Brazilië. Zo ontstond een transatlantische driehoeksrelatie, waarin de Portugezen in de 17de eeuw bijna verdrongen zouden worden door Hollanders en Zeeuwen, toen die posities veroverden in zowel Brazilië als Angola.

Krijgsgevangenen

Toen Portugezen rond 1500 suikerplantages aanlegden op São Tomé, een eiland voor de kust van het huidige Equatoriaal Guinée, ontstond daar vraag naar arbeidskrachten. Aangezien de manikongo liever geen afstand deed van zijn koper – dat voor hem zowel commerciële als rituele waarde had – drongen Portugese kapiteins, daartoe aangezet door planters van São Tomé, aan op levering van gevangenen. De manikongo verkocht aanvankelijk vooral krijgsgevangenen die waren gemaakt in oorlogen met buurstaten, maar op den duur deed hij ook Congolezen in de aanbieding. Al in 1516 werden 4.000 tot slaaf gemaakte Afrikanen verscheept vanuit de havenstad Mpinda (in het noorden van het huidige Angola). Zo begon de Europese slavenhandel, die in de volgende eeuwen enorm zou groeien.

Portugese kooplieden aan Afrika’s westkust, van hun handelspost Elmina aan de Goudkust tot Congo en Angola, moesten zich schikken in Afrikaanse politieke controle. De voorwaarden waaronder handel werd gedreven werden gedicteerd door plaatselijke vorsten en voor hun veiligheid waren de kooplui aangewezen op koninklijke protectie. Die kregen ze in ruil voor militaire hand- en spandiensten – door hun handelspartner te steunen tegen diens rivalen – en de levering van vuurwapens. Een en ander stimuleerde lokale oorlogen én daarmee de handel in krijgsgevangenen.

Partijen waren op elkaar aangewezen. Toch sloop er geleidelijk ongelijkheid in de transacties tussen Afrika en Europa. Dat lag zowel aan de gebruikte betaalmiddelen (koper, stoffen en schelpen tegen goud) als aan de economische waarde van wat werd verhandeld. Goud kon worden geïnvesteerd en slaven produceerden met hun arbeid waarde in de Nieuwe Wereld. Terwijl Europeanen hun kapitaal vergrootten door de aankoop van goud in Afrika (en de plundering van Amerikaans goud), bleef een dergelijke accumulatie in West-Afrika achterwege. Daar hadden betaalmiddelen als koperen armbanden behalve ruilwaarde ook een sociale en spirituele waarde – prestige, ritueel, onderhouden van relaties – en zo bleven ze niet behouden als kapitaalreserve. Iets vergelijkbaars gebeurde ook in Europa, getuige de rijke altaarstukken in katholieke kerken, maar het leeuwendeel van het geïmporteerde goud werd geïnvesteerd in nieuwe handelsondernemingen. Zo groeide geleidelijk een onbalans.

Kleinere vorstendommen

De Atlantische handel forceerde grote politieke en sociale veranderingen in West-Afrika. Rijken vielen uiteen in kleinere vorstendommen die elkaar bevochten om profijtelijke connecties met Europese handelsnaties. In de staten die kwamen bovendrijven werd de macht gecentraliseerd en ontstonden aristocratieën van bereden soldaten die buurlanden binnenvielen om slaven te maken. Green ziet hier een parallel met de staatsvorming in vroegmodern Europa, waar absolute vorsten opstonden, ondersteund door bureaucratieën, belastingheffing en staande legers.

De in de 18de eeuw piekende export van slaven veroorzaakte een demografisch tekort, waardoor onvrije arbeid toenam. Onder meer om te kunnen voorzien in de Europese vraag naar gewassen, die dienden als voedsel voor verscheepte slaven. ‘Fiscaal-militaire staten’ (Green) die in de loop van de 18de eeuw op de voorgrond traden en het leeuwendeel van de slavenexport voor hun rekening namen waren Segu (in het huidige Mali), Asante (tegenwoordig Ghana) en Dahomey (nu Benin).

Béhanzin, de laatste koning van van Dahomey (nu Benin, 1890-1894), tekening uit de Franse krant Le Petit Journal. Foto’s Art Media

De dada (koningen) van Dahomey stonden op even goede voet met Portugezen en Brazilianen als met islamitische slavenhandelaren uit het noorden en zij correspondeerden zowel in het Portugees als in het Arabisch. De dada combineerden politieke en spirituele macht en hielden vast aan hun eigen religie, de eredienst aan een reeks godheden (vodoun, vandaar ‘voodoo’). Belangrijk in hun pantheon was Gou, god van oorlog en ijzer en beschermer van de smeden.

Rond 1800 brak ook in de Sahel een ‘Tijdperk van Revoluties’ aan, schrijft Green, al zet hij deze parallel met Europa en Amerika wat al te stevig aan. Drijvende krachten waren hier de islam, gepredikt door rondtrekkende marabouts, het al vroeg geïslamiseerde herdersvolk der Fulani en slaaf-soldaten uit de legers van rijken als Segu.

Enthousiaste mensenrovers

De rol van de islam in de 19de-eeuwse revoltes is paradoxaal. Deze religie had de reputatie gemeenschappen bescherming te bieden tegen slavenhalers, omdat een moslim niet tot slaaf kon worden gemaakt. Toch waren moslimvorsten zelf enthousiaste mensenrovers bij niet-islamitische gemeenschappen meer naar het zuiden, al werd die buit allengs minder aangeboden aan christelijke handelaren. Na ongeveer 1760 kwam zo’n 80 procent van de slaven aan boord van Atlantische schepen van niet-islamitische handelaren in Asante en Dahomey.

Bakermat van de West-Afrikaanse revoluties was de stadstaat Sokoto, waar Fulani, een volk van herders en predikers, in de meerderheid waren. Hun geestelijke en politieke leider was Uthman dan Fodio (1754-1817), die de titel shehu (sjeik) voerde. Hij stichtte in 1804 een kalifaat in Sokoto en ontketende daarop een jihad tegen heersers in de Hausastaten van noordelijk Nigeria. Die zouden de geboden van de islam negeren, een luxe leven leiden, alcohol drinken en hun vrouwen ongesluierd laten. Het resultaat was een religieuze en politieke hervormingsbeweging die in de eerste helft van de 19de eeuw heel West-Afrika overspoelde. De beweging begon steeds bij Fulani-predikers en richtte zich overal tegen machtsmisbruik door lokale potentaten. Slaven zochten bescherming bij de shehu, bekeerden zich tot de islam en werden vrijgemaakt. De Fulani-jihad mondde uit in een federatie van 30 emiraten, met 10 miljoen inwoners een van de grootste rijken van Afrika.

Excuses aanbieden

Maar ook na deze katharsis ging de slavenjacht gewoon door. Het waren uiteindelijk Europese mogendheden, Engeland voorop (in 1807), die formeel een einde maakten aan de transatlantische slavenhandel. De mensenroof hield niet meteen op, maar tot slaaf gemaakten konden niet langer worden verhandeld in West-Afrikaanse havens en werden steeds vaker ingezet als onvrije arbeiders op het land. Zij vergrootten in de loop van de 19de eeuw het aanbod van agrarische producten voor de ‘legitieme handel’ met Europese kooplieden.

Een traditionele leverancier van slaven was het koninkrijk Dahomey, dat in 1894 werd ingelijfd bij Frans West-Afrika. In 1992 zou datzelfde land, nu onder de naam Benin, bij monde van president Mathieu Kérékou tijdens een Unesco-conferentie excuses aanbieden voor zijn historische rol in de slavenhandel. En dat heeft nog geen westers land dat ooit slaven haalde uit Afrika gedaan.