Weg met die kralen, ga maar spelen

Schilderkunst De kijk op kind-zijn veranderde in de negentiende eeuw, laat een tentoonstelling in het Teylers Museum zien. Kinderen mochten eindelijk écht kind zijn.

Portret van Catharina Elisabeth Rente Linsen (1831) door Jan Adam Kruseman Jz.
Portret van Catharina Elisabeth Rente Linsen (1831) door Jan Adam Kruseman Jz. Beeld Collectie Teylers Museum

Het meisje op het schilderij uit 1831 is pas 1 jaar oud, maar dat zou je niet zeggen als je haar zo ziet. Catharina Elisabeth Rente Linsen, die opgroeide in een gegoede familie, draagt een wit met kant afgewerkt jurkje. De afhangende pofmouwen laten haar mollige schouders bloot.

Om haar polsen en hals hangen bloedkoralen sieraden. Haar lippen lijken bijna bedekt met een laagje lipgloss.

Op de tentoonstelling Jong in de 19e eeuw, die tot en met 5 januari in het Teylers Museum in Haarlem te zien is, zie je meer van dit soort schilderijen met tot minivolwassenen gemaakte kinderen. De tentoonstelling toont hoe in de negentiende eeuw de kijk op kinderen is veranderd: eerst zag men kinderen als gebrekkige volwassenen (en zo zagen ze er op de schilderijen ook uit) die deze nutteloze fase (hun jeugd) zo snel mogelijk achter zich moesten laten. Pas later werden het dromerige wezentjes die een eigen ontwikkeling door moesten maken.

Die omslag hangt niet aan een enkel moment. Zeer geleidelijk veranderde de visie op het kind-zijn. Vooral de Franse verlichtingsfilosoof Jean-Jacques Rousseau heeft daar met zijn pedagogisch-filosofische boek Emile, of Over de opvoeding (1762) een grote bijdrage aan geleverd. Hij was ervan overtuigd dat het kind als onbeschreven blad ter wereld kwam. Het kind was van nature goed, betoogde hij, en daarom bepleitte hij een empirische opvoeding. En dat was iets heel nieuws; eerder vond men dat kinderen een erfzonde droegen, een overdracht van de zonden van Adam en Eva.

Kinderen moesten gehoorzaam zijn. Tot aan het begin van de negentiende eeuw werden peuters en kleuters daarom regelmatig samen met een hond afgebeeld. Neem het schilderij uit 1817 met Susanna Sophia Maria Hodshon die met hond (net zo groot als zij) werd afgebeeld. Rustig zit het beest voor haar, hij kijkt niet eens naar het stukje brood dat zij in haar hand heeft. De hond stond in die tijd symbool voor de op discipline gerichte opvoeding die kinderen toen kregen. Net als het dier moest een kind getemd worden om een goed mens te kunnen worden, de wil gebroken, gehoorzaam zijn.

Rousseau had dus een andere visie, hij vond dat kinderen zich moesten vormen door te leven; wat zij zelf meemaakten, zou hen mens maken. En kinderen moesten dus niet te veel in een keurslijf zitten. Hij vond: laat het kind maar struikelen, zodat het zelf moet opstaan. Geef het maar de ruimte zich te ontwikkelen.

Marietje in het Gras (ca.1895) door Willem de Zwart. Beeld Collectie Teylers Museum

Kindermode

Rousseau had van het kind en de kindertijd iets gemaakt om te koesteren. Dat veranderde alles. Moeders brachten hun kind niet meer naar de min, maar gingen zelf borstvoeding geven. Kinderen moesten een opleiding krijgen. In de schilderkunst zag je dat terug; geschilderde jonge meisjes keken de toeschouwer niet meer recht in de ogen, maar staarden in de verte, zich onbewust van een toeschouwer. Ze fröbelden wat, speelden in het zand, gingen op in het plukken van bloemen tussen het hoge gras. Het kind in zijn eigen leefwereld was geboren.

Lees ook: Mag schilder Balthus de blik op de onderbroek van een dertienjarige richten?

In 1860 werd kindermode populair, onder leiding van het immens populaire matrozenpakje. De strakke volwassenenkleding maakt plaats voor lossere kostuums, hoedjes waren passé. Kleding moest letterlijk de ruimte geven om te kunnen spelen, en het mocht het ontdekken niet belemmeren.

En gelijk met de opkomst in onderscheid van kleding – alsof het dan pas écht zichtbaar wordt dat het kinderen zijn die in de fabrieken en op het land werken – laaide rond 1860 ook de kritiek op kinderarbeid op. Dat leidde in 1874 tot het Kinderwetje van Van Houten, dat ervoor moest zorgen dat kinderen tot 12 jaar niet in fabrieken mochten werken. Maar door gebrek aan controle werd deze wet nog nauwelijks nageleefd. Pas met de kinderwetten van 1901 en de invoering van de leerplicht voor kinderen van 6 tot 12 jaar kwam er een einde aan kinderarbeid. En zo werd in de schilderkunst het kind in de schoolbank een geliefd onderwerp.

In iets meer dan een eeuw sloeg de kijk op het kind totaal om. Het jasje ging uit, de hoed af, sieraden en jurken gingen in de kast. Volwassen zijn kwam vanzelf wel. Ga maar spelen, ga maar ontdekken, blijf maar even kind.

Jong in de 19e eeuw, in Teylers Museum, Haarlem. Tot 5 jan. 2020. teylersmuseum.nl