Verder trekken loont niet altijd voor overwinteraars

Ecologie Drieteenstrandlopers die vanuit Groenland in West-Europa overwinteren, doen het beter dan de vogels die naar West-Afrika trekken.

Drieteenstrandloper.
Drieteenstrandloper. Foto iStock

Drieteenstrandlopers die in de herfst de moeite nemen om helemaal vanuit hun broedgebied in Groenland naar West-Afrika te vliegen, doen daar niet altijd goed aan. Dat schrijven bioloog Jeroen Reneerkens van de Rijksuniversiteit Groningen en collega’s deze week in het tijdschrift Journal of Animal Ecology.

Soortgenoten die ervoor kiezen om op de stranden van West-Europa te blijven, doen het stukken beter dan ‘drieteentjes’ die onder de Ghanese zon overwinteren. Er zijn er na een jaar meer in leven en bovendien komen ze in het voorjaar weer eerder aan in de broedgebieden in Groenland.

De drieteenstrandloper (Calidris alba) is een kleine, grijze vogel die in de winter ook in Nederland langs de vloedlijn dribbelt, op zoek naar garnaaltjes en ander eten. Vogels die in onder andere Groenland broeden, overwinteren verspreid over de hele kust tussen Vlieland in het noorden en Walvisbaai in Namibië in het zuiden. Met behulp van waarnemingen van duizenden individueel herkenbare vogels met kleurringetjes aan hun pootjes, konden Reneerkens en collega’s de afgelopen jaren de overleving van de verschillende groepen vogels berekenen. De vogels die in Ghana en Mauritanië overwinterden, deden het met een jaarlijkse overleving van 75 procent meetbaar slechter dan de vogels die in West-Europa overwinterden. Daar haalde 85 procent het volgende jaar.

De kosten van doorvliegen

Toch zit het probleem niet per se in de afstand, schrijven de onderzoekers. Want opvallend genoeg deden ook de vogels die helemaal doorvlogen naar zuidelijk Afrika het met 85 procent overleving beter dan de West-Afrikagangers.

„In de trekvogelbiologie was lange tijd het adagium dat de biologische kosten van doorvliegen wel zouden opwegen tegen de baten van zo’n ‘dure’ reis. Maar verder is dus niet per definitie beter”, concludeert Reneerkens. „Het loont voor een trekvogel blijkbaar niet om van Nederland door te vliegen naar Ghana, maar wel om nog eens 4.000 km extra naar zuidelijk Afrika te overbruggen. Al denk ik niet dat de vogels vooraf hadden kunnen ‘weten’ dat ze in Ghana en Mauritanië slechter af zouden zijn. Het lijkt erop dat ze het in West-Afrika in de herfst nog best goed hadden, maar dat de problemen pas ontstonden in het voorjaar, als ze de tank moesten vullen voor de terugtocht. Onder de West-Afrikanen waren ook relatief veel vogels die het eerste jaar er helemaal niet aan toe kwamen om naar de broedgebieden te vliegen.”

Misschien is het te vol

Eerder liet bioloog Tamar Lok van het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee op Texel al zien dat voor trekkende lepelaars een vergelijkbaar probleem speelt: de vogels die – gewoontegetrouw – naar Mauritanië trekken om te overwinteren, doen het slechter dan de vogels die in steeds grotere aantallen in zuidelijk Europa blijven hangen in de winter. Ongeveer 20 procent van de lepelaars sterft op de weg terug van Afrika naar Nederland, terwijl de sterfte onder Europese overwinteraars maar 5 procent bedraagt.

Of West-Afrika uiteindelijk wegvalt als overwinteringsplek voor drieteentjes, durft Reneerkens niet te zeggen. „Nu gaat nog bijna de helft van de populatie ’s winters naar Ghana en Mauritanië, dus misschien is het daar wel gewoon te vol. Als een deel van de West-Afrikagangers sterft, komt er misschien wel een nieuw evenwicht met relatief meer vogels die in Europa overwinteren of die helemaal naar zuidelijk Afrika doorvliegen.”