Opinie

Pinda*

Ellen Deckwitz

Gisteren kwam de Pinda* uit, de zelfverklaarde ‘glossy met een Indisch tintje’ en qua titel een knipoog naar dat populaire damesblad. Vanwege die naam zaten enkele van mijn Indische vrienden meteen tegen het plafond: pinda is immers een scheldnaam voor indo’s.

„Maar in de inleiding schrijft de hoofdredacteur”, zei ik, „dat ‘pinda’ juist ook een geuzennaam kan zijn.”

„Dat is toch echt aan ons om te bepalen”, zei vriendin I., half indo en half Limburgs. „Typisch weer iets voor een witte om zoiets te zeggen.”

„De hoofdredacteur is indo”, zei ik fijntjes.

„Stockholmsyndroom”, bitste ze, en ik nam maar een slok cola.

„Het is vast weer typisch zo’n blad waarin de tempo doeloe wordt verheerlijkt”, zei I., „zo van och och wat was het allemaal mooi daar in de kolonie, wat verlangen we daar allemaal weer naar terug, terwijl het systeem daar stoelde op onderdrukking.”

Iemand anders aan tafel zei dat dat allemaal verleden tijd is en we moeten kijken naar hoe we als groep verder kunnen, een derde zei dat het Nederlandse koloniale verleden nooit erkend is en een open, zwerende wond blijft zolang we het niet over de zwarte bladzijden van onze geschiedenis hebben.

Stil dronk ik mijn cola. Ik had het genoegen de Pinda* al eerder te kunnen inzien, en wat me trof was juist de ruimte die aan de verschillende kanten van het Indische verhaal wordt geboden. Meerdere lezingen en diverse standpunten komen erin naar voren. Er wordt gesproken over de pijn van een gedwongen migratie. Over de heimwee, het gevoel een vreemde te zijn in het land van aankomst, het verlangen naar het land dat je verliet, maar ook over de zin van de Indië-herdenking.

Zelf heb ik door mijn Indische wortels altijd geworsteld met identiteit. Je bent niet typisch Nederlands, je leven is doorspekt met meerdere culturen. Je begrijpt verschillende talen en codes en dat zorgt soms voor vervreemding. Je voelt je, ook al zijn er anno 2019 ruim twee miljoen Nederlanders die op de een of andere manier wortels in Indië hebben, toch altijd een beetje een buitenbeentje. Toen ik dat tegen mijn Indische oudtante uitsprak, zei ze dat daar juist een troost in zit.

„Je bent een vreemde temidden van vreemden”, glimlachte ze, „is dat niet prachtig? We delen fundamenteel meer dan dat we van elkaar verschillen. Daarin zijn we verbonden, en daarin zit een troost.”

Ik moest denken aan die mooie dichtregels van Tjitske Jansen: „Er was mos./ Het levende bewijs/ dat je kunt groeien/ zonder wortels.” En terwijl mijn Indische vrienden verder discussieerden over het verleden, was dat op dat moment even een troost. Dat je zonder wortels kan leven, waardoor de hele wereld een thuis kan worden.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.