"Er wordt te snel met een vinger naar de inspectie gewezen", zegt minister Arie Slob

David van Dam

‘Handen af van de vrijheid van onderwijs’

Arie Slob Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs

Arie Slob (ChristenUnie) stuurde onlangs twee schoolbesturen weg, maar wil niet sleutelen aan de Grondwet.

Voor iemand met zijn achtergrond, zegt hij, neemt hij misschien wel de heftigste besluiten ooit genomen op deze plek. In twee maanden tijd stuurde minister Arie Slob (Basis- en Voorgezet Onderwijs, ChristenUnie) twee besturen weg, van een islamitische en een hindoeïstische school, en waarschuwde hij het bestuur van een joodse school. Maar, zegt Slob op zijn werkkamer: „Handen af van de vrijheid van onderwijs.”

Die vrijheid, vastgelegd in grondwetsartikel 23, staat voortdurend ter discussie – de laatste tijd al helemaal. De AIVD stuurde een ambtsbericht over salafistische invloeden op het Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam en NRC en Nieuwsuur onthulden dat de meeste islamitische scholen een omstreden boek over seksuele voorlichting gebruiken. Toch is tornen aan artikel 23 volgens Slob niet het antwoord op de problemen. „Als je mij vraagt waar we onze energie in moeten steken, het lerarentekort of artikel 23, weet ik het antwoord wel.”

Slob praat vijftig minuten bijna onafgebroken over het onderwerp. Zijn assistent moet hem twee keer manen om naar de Algemene Politieke Beschouwingen te vertrekken. „Ik ben historicus”, zegt hij, „ik gaf les op een bijzondere school. Dit onderwerp is fascinerend.”

U heeft ingegrepen bij het islamitische Cornelius Haga Lyceum, het joodse Cheider en de Algemene Hindoe Basisschool in Den Haag. Wat is de gemene deler?

„Het waren heftige situaties. Ze raken de discussie over de vrijheid van onderwijs, een van de grootste verworvenheden van onze parlementaire democratie. Maar die vrijheid is natuurlijk nooit ongelimiteerd geweest. Als je er gebruik van maakt, moet je voldoen aan de eisen die de wetgever stelt. Doe je dat niet, dan ben je de vrijheid niet waard en moet er opgetreden worden. Dat is wat er is gebeurd.”

De PvdA en VVD zien daarin aanleiding de Grondwet te wijzigen.

„Al vanaf het begin van de wet, in 1917, is de vrijheid van onderwijs geen rustig bezit geweest. Er was toen al een stroming in Nederland die vond dat alle kinderen naar een openbare school moeten.

„Ik vind het heel belangrijk dat ouders voor een school kunnen kiezen die aansluit bij hun opvoeding. Het is een verkeerde inschatting dat je problemen oplost door de vrijheden van een bepaalde groep in te perken. Juist omdat de vrijheid van onderwijs mij zo lief is, vind ik dat ik hard moet optreden tegen schoolbestuurders die hun verworven verantwoordelijkheden niet waarmaken. Dat is een veel effectievere route dan artikel 23 te veranderen.

„Ik ben ook benieuwd wát ze dan willen veranderen. Want er is natuurlijk een politieke stroming die zegt: iedereen mag gebruik maken van de vrijheid van onderwijs behalve één groepering. Nou, zo werken grondrechten niet. Die zijn universeel, daar moet je niet mee marchanderen. Je mag wel eisen stellen.”

Zo strikt zijn die eisen niet. De rechter gaf het Haga in zaken tegen de overheid meerdere malen gelijk.

„In onze regelgeving zitten tekortkomingen. Dit kabinet heeft geconstateerd dat we daar iets aan moeten doen. We zijn bezig met een nieuwe wet over burgerschapsonderwijs, waardoor de inspectie beter kan optreden. Vorige week besprak de Tweede Kamer een wet die meer ruimte geeft aan nieuwe scholen maar ook eisen stelt aan bestuurders.

„In juni heb ik met minister Ingrid van Engelshoven (Onderwijs, D66) een stevige brief naar de Kamer gestuurd, waarin we vergaande instrumenten aankondigen voor de inspectie en bewindspersonen om in te grijpen bij misstanden. Die brief, die ook over artikel 23 ging, heeft weinig aandacht gekregen. Bij het debat ontbrak de PvdA, maar dat terzijde.”

U wilt het toch even noemen.

Lachend: „Ja, het was een heel fundamenteel debat. Het ging over voorstellen die strengere eisen stellen aan de vrijheid van onderwijs.”

Is artikel 23 wat u betreft statisch?

„Ik heb als Kamerlid gestemd voor een wijziging van artikel 23, in 2006, om samenwerkingsscholen mogelijk te maken [scholen die zowel openbaar als bijzonder zijn, red.] Daar hebben de confessionele partijen gewoon aan meegewerkt.

„Maar we moeten de discussie zuiver voeren. De reflex is om te roepen: dit soort scholen zijn niet meer van deze tijd, we passen de grondwet aan. Maar: 70 procent van de ouders stuurt zijn kinderen naar het bijzonder onderwijs! Dat zijn harde cijfers. Bijna al die scholen zijn voor iedereen toegankelijk. Op veel islamitische scholen zitten niet-islamitische docenten. 90 procent van de islamitische kinderen gaat níet naar islamitisch onderwijs.

„Als je de grondwet aanpast, wat heel lang duurt, los je dan de problemen op? Kijk naar Frankrijk. Alleen openbaar onderwijs, hebben ze daar geen problemen met integratie?”

We leven nu in een grotendeels geseculariseerd land. Denominatie is niet meer de belangrijkste reden voor ouders om een school te kiezen; dat zijn kwaliteit, sfeer en nabijheid.

„Feit is dat er nu op een paar scholen, en er zijn er duizenden, iets aan de hand is. Het is goed om dat in proportie te zien. Maar ik wil het niet bagatelliseren, daar is het te ernstig voor.”

Op salafistische moskeescholen wordt kinderen geleerd zich af te keren van de Nederlandse samenleving. Wat gaat u daartegen doen?

„Ik ga daar niet over, dat is informeel onderwijs. Als kind kreeg ik zelf ook een uurtje per week catechisatie van de dominee. Er wordt nu over die moskeeklasjes gezegd: stuur de inspectie daar maar op af. Maar de inspectie mag dat niet.”

Fractievoorzitter Gert-Jan Segers van uw partij, de ChristenUnie, pleitte daarvoor.

„Ik geef nu al aan dat daar geen wettelijke grond voor is. De inspectie heeft hier geen enkele taak in en ik vraag me af of we dat wel moeten willen. De inspectie houdt toezicht op de deugdelijkheidseisen en andere wettelijke bepalingen in het reguliere onderwijs. Dat is totaal anders dan naar een moskee gaan om te kijken hoe kinderen daar vanuit de vrijheid van godsdienst en van vergadering en vereniging invulling geven aan hun religie. Dat heeft niets te maken met vrijheid van onderwijs.”

De inspectie voert de taak die ze wél heeft, ook niet altijd goed uit. De omstreden seksuele voorlichtingsboeken op islamitische scholen zijn niet opgemerkt.

„Er wordt te snel met een vinger naar de inspectie gewezen. De Tweede Kamer heeft de inspectie zelf opgedragen om zich terughoudender op te stellen. Pas als er signalen zijn dat het niet goed gaat, vindt er een diepgaander onderzoek plaats. Maar het is een illusie te denken dat de inspectie alle boeken kan inspecteren.

„Ik ervaar nu wat mijn voorgangers waarschijnlijk ook hebben ervaren”, zegt Slob als hij opstaat. „Mensen die volop in de schoolstrijd zaten. Die is gepacificeerd, maar de discussie is nog steeds dezelfde.”