Recensie

Recensie Boeken

Griet Op de Beecks nieuwe, beste roman zwijgt nadrukkelijk over incest

Griet Op de Beeck Incest? Het blijft bij suggestie. Op de Beecks nieuwe roman is een verraderlijke komedie waarin ze niet preekt. Haar beste boek.

Illustratie Paul van der Steen

Op één woord letten we natuurlijk in het bijzonder. Maar noch in noch op de nieuwe roman van Griet Op de Beeck komt het woord incest voor, niet één keer. Een noot achterin bevestigt hoogstens dat Let op mijn woorden het tweede deel is van ‘haar trilogie’, waarvan bekend is dat incest het onderwerp is. Twee jaar geleden, toen Het beste wat we hebben verscheen, openbaarde Griet Op de Beeck (1973) in interviews waarom: ze is zelf als kind door haar vader misbruikt.

Dit boek verschilt zeer van de voorganger – nieuw verhaal, nieuwe personages, dit boek is nu eens écht goed los te lezen. De verhaallijn lijkt vooral verwant aan Kom hier dat ik u kus (2014). Maar de ‘clou’, oneerbiedig gezegd, is bekend.

Met incest in je achterhoofd begin je te lezen: in de openingsscène, waar de vader van de 15-jarige Lise ’s nachts op de veranda zit, vermoed je dreiging. Ten onrechte. Het enige kwalijke daar is dat vader heimelijk wijn drinkt – dat moet verborgen blijven voor moeder de vrouw. Een schattige anticlimax, én op een veel subtielere manier dreigend, want Lise ziet, weet en verzwijgt het. Wat te denken van die vertrouwelijkheid tussen vader en dochter? Die is wel gemankeerd: met een opgezegde vriendschap, die haar dwarszit, kan Lise niet bij hem terecht.

‘Noemt gij dit feest?’

Wat niet benoemd wordt, kan er niettemin zijn – die ondertoon bepaalt de roman. Let op mijn woorden leest óók zo rechttoe-rechtaan als we van Op de Beeck gewend zijn en op dat niveau is het eigenlijk wel een leuk boek. We lezen scènes uit een gezin: tikje dominante, constant kwebbelende moeder en een alcoholistische vader. Opgeschreven met gevoel voor stekelig detail: ‘Aardbeientaart, dat eet gij toch graag?’ vraagt moeder aan Lises jonge broertje. Hij: ‘Aardbeien wel, maar aardbeien met Lises bacteriën niet per se.’ ‘Jongen, doe nu niet zo flauw, het is feest voor uw zus.’ ‘Noemt gij dit feest?’ ‘Ge snapt goed genoeg wat ik bedoel.’

Het gevoel een komedie te lezen wordt versterkt door de hyperbolische stijl: ‘Lise vond poseren een van de grotere beproevingen in het leven’, en: ‘Opluchting daalde over Lise neer als regen waar de woestijn lang op had gewacht.’ Too much kun je dat vinden, en soms clichématig – niet geheel ten onrechte, maar deze overdrijving past wél goed bij het puberperspectief van de hoofdpersoon.

Het vorige boek van Griet Op de Beeck was het Boekenweekgeschenk Gezien de feiten. Lees hier de recensie

Het effect ervan is bovendien dat de abnormaliteit van het gezin nauwelijks opvalt. Dat je bijna over het hoofd ziet hoezeer die ouders zuigen, haar hinderen en opslokken. Zo raak je ook verzeild in een cruciale gebeurtenis aan het einde van het eerste deel: dan verschijnt Lises oudere halfzus ten tonele, met de beschuldiging dat vader haar jarenlang misbruikt heeft. Dat levert bijzondere scènes op; vooral omdat het leven, na de gebarsten bom, gewoon doorgaat. De incestbeschuldiging wordt ingebed in alledaagse gesprekken, het lastige onderwerp wordt afgekapt, weggelachen. Zo gaat dat, in dit gezin.

Yoghurtdieet

In het tweede deel, tien jaar later, horen we terloops dat Lise op haar zestiende amper een ongeluk heeft overleefd – iets wat, heel slinks, buiten het bestek van het eerste deel gehouden werd. Het tweede deel, Lise is arts in opleiding, staat in het teken van een eetprobleem dat ze ontwikkelt: ze leeft op een bakje yoghurt per dag. Nog steeds is ze iemand die narigheid overschreeuwt, emotie kaltstellt. De verleiding om eten te weerstaan ‘maakt mij sterk’, zegt ze. Haar vriend complimenteert: ‘Ge ziet eruit alsof ik u zomaar doormidden zou kunnen breken, ik vind dat geil.’ Deze vrouw cijfert zichzelf weg, zoals we ook opmaken uit een sterke, pijnlijk mangerichte seksscène.

Karakterzwaktes van Lise, of is er meer aan de hand? Op de Beeck zelf, die meermaals heeft verteld over haar dominante moeder, haar eetstoornis en relaties met de verkeerde mannen, kwam tot een dieper liggende conclusie – the rest is history. Die olifant in de kamer mag je als lezer zelf ontwaren, de suggestie doet het werk. Daarmee is Let op mijn woorden in literaire zin Op de Beecks beste roman – juist omdat het op het oog haar eerlijkste, meest autobiografische roman is. Waar ze eerder nog wel eens al te doelmatig naar haar boodschap toeschreef, haalt ze nu geen toeren uit, maar toont en registreert. Ditmaal hád ze misschien geen boodschap, behalve: dit is het, kijk maar.

Ook met de hoopvolle maakbaarheidsgedachte, zeer aanwezig in haar werk, is ze voorzichtiger. Bij een verhaallijn met een kind met leukemie vrees je aanvankelijk voor sentiment, maar dat pakt onverwachts anders uit – een realitycheck. Verlossing? Troost? Of Op de Beeck dat nog in petto heeft zal moeten blijken uit het slotdeel van de trilogie. Deze roman heeft dat antwoord niet nodig: deze staat.

Lees ook het interview met Manon Uphoff, die een verpletterende roman over hetzelfde onderwerp schreef.