Recensie

Recensie Beeldende kunst

Even terug uit de vergetelheid: de schilder Jan van Heel

Tentoonstelling Jan van Heel (1898-1990)schilderde ingetogen en figuratief, heel anders dan zijn beroemde tijdgenoten van Cobra. Er is nu een expositie in Harderwijk.

Jan van Heel, Kind met suikerbeest (1947)
Jan van Heel, Kind met suikerbeest (1947) Beeld: particuliere verzameling

„Heel eerlijk?”, vraagt conservator Sophie van Steenderen van Stadsmuseum Harderwijk. „Ik heb kunstgeschiedenis gestudeerd en ik had ook nog nooit van hem gehoord.” Dus staan op de voorkant van de flyer voor de zekerheid vijf verschillende schilderijen: een landschap, een vogel, twee clowns, een vrouwenportret . Dan weet je als museum tenminste zeker dat je mensen met diverse interesses aanspreekt.

Jammer genoeg zie je niet meteen Kind met suikerbeest, mogelijk het mooiste schilderij van de tentoonstelling: dat komt uit particulier bezit. En Van Heel Harderwijk wil laten zien welke schilderijen Jan van Heel (1898-1990) naliet aan Harderwijk, de stad die hem aan het einde van zijn leven nog een uitgebreide tentoonstelling gunde.

Wat de tentoonstelling ook toont: de fragiliteit van naamsbekendheid. Of beter gezegd: de wisselende waardering van modes in de kunst. Jan van Heel werd tientallen keren tentoongesteld, ook in het buitenland, is door diverse musea aangekocht, en kreeg twee koninklijke onderscheidingen. Maar hij was geen lid van Cobra, de kunststroming die met kleurrijk, primitief en extravert werk symbool werd voor de revolutionaire tijdgeest van de na-oorlogse jaren. Van Heel, een laatbloeier, pas tegen zijn vijftigste vond hij zijn uiteindelijke toon, hoorde bij de schilders van de Nieuwe Haagse School, indertijd ‘het Haagse antwoord op Cobra’. Hun schilderijen hadden gedempte kleuren, waren herkenbaar figuratief en ademden ingetogenheid.

Jan van Heel, Kind met suikerbeest (1947)

Beeld: particuliere verzameling

122 schilderijen

Precies die kenmerken, zegt Sophie van Steenderen, „maakten dat mijn liefde ervoor groeide terwijl ik zijn werk bekeek”. Harderwijk kreeg tussen 1983 en 1988 122 schilderijen van Van Heel. Hij was toen al over de tachtig, ongetwijfeld wist hij dat hij in de vergetelheid aan het raken was. Maar in Harderwijk had hij in 1982 nog een grote tentoonstelling: dáár zou wellicht goed voor zijn nalatenschap worden gezorgd.

Inderdaad is er nog een paar keer een expositie met werk uit zijn schenking geweest, maar meestal liggen de schilderijen toch in depot. Van Steenderen: „Toen we er daar doorheen gingen dacht ik eerst: hm. Maar toen: die is mooi. En die. En die ook.” Juist de verstilling, denkt ze, zal mensen nu aanspreken: „Het is vaak ontroerend werk.”

Dat laatste verklaart mogelijk ook dat Jan van Heel door musea soms is ontzameld, maar geliefd is gebleven bij particulieren. Kind met suikerbeest (1947), met daarop een dromerig jongetje achter een tafel met een roze suikerpaard, is in het bezit van presentator en verzamelaar Harm Edens, hij heeft vijf Van Heels. „De taferelen van Van Heel trekken je meteen naar binnen”, schrijft hij in de publicatie bij de tentoonstelling, „er is direct uitwisseling tussen wat hij je laat zien en je eigen leven”.

Jan van Heel maakte veel melancholisch stemmende clownsportretten.

Collectie Stadsmuseum Harderwijk

In Harderwijk wordt een zeventigtal werken getoond, waaronder dus ook bruiklenen. Clowns, een geliefd onderwerp van Jan van Heel, dat hij opdeed tijdens bezoeken aan Parijs in de jaren 30. Daar maakte hij ook stadsgezichten, die zijn eveneens te zien. Verder een aantal dieren, vaak vogels. Allemaal – clowns, stadsgezichten en vogels – ademen ze melancholie, maar vooral de vogels doen dat: ze vliegen niet maar zijn gekooid, soms liggen ze met hun pootjes omhoog.

En dan zijn er landschappen, met name Spaanse. Spanje bezocht Van Heel voor het eerst in 1955, toen hij een expositie voorbereidde voor het ministerie van Onderwijs. Meer dan de andere schilderijen hebben die landschappen kenmerkende kleuren – brandend okergeel, verzadigd bruin, gloedvol rood – en komen ze in de buurt van abstractie en extravertie. Ten slotte zijn er nog een aantal stillevens, vaak afgedankt, licht verdrietig stemmend speelgoed, zoals een kapotte pop. Is die weggedaan? Kwijtgeraakt misschien? Van Steenderen: „Je ziet geen groot drama, maar klein leed. Van Heel schreeuwde niet, hij fluisterde.”

Jan van Heel, Clownsportret. Collectie Stadsmuseum Harderwijk