Lynn Berger

Foto Frank Ruiter

‘De vooroordelen over enig kinderen zitten diep’

Lunchinterview Lynn Berger (35), zelf eerste kind, schreef een journalistiek boek over het tweede kind zijn, of krijgen. „Dat de tweede onverdeelde aandacht misloopt, en hoe oneerlijk dat eigenlijk is, daar hoor je niemand over.”

Een agressieve waterbacterie was via een sneetje haar voet binnengedrongen en hard bezig op te rukken naar haar been. Inmiddels is Lynn Berger (35) twee antibioticakuren en een operatie verder, en weer thuis na een midweek in het ziekenhuis. Lopen is nog lastig, dus lunchen we bij haar thuis met een bakje nasi van de Indonesische toko en oolongthee die ze zet in haar jaren-vijftigkeuken op een bovenverdieping in Amsterdam-Noord. Haar kinderen zijn naar school en crèche gebracht door haar vriend. Ze heeft een dochter van vijfeneenhalf en een zoon van net drie.

Het boek dat Lynn Berger schreef, is er al een tijdje, net als het onderwerp waarover het boek gaat: De tweede. Het is een journalistieke zoektocht in de wetenschappelijke literatuur naar het krijgen én zijn van het tweede kind. Want hoe gewoon dat ook lijkt – het Nederlandse standaardgezin telt twee kinderen – zij had nogal wat vragen over de vanzelfsprekendheid ervan. In de gelijknamige podcast, die ze met Jair Stein maakte voor De Correspondent, laat ze anderen aan het woord over wat het betekent om deel uit te maken van een gezin.

„Onze eerste was nog maar tien maanden, toen mijn schoonvader al begon te informeren wanneer de tweede kwam.” Bij haar ontstond de wens om „het allemaal nog één keer mee te maken” eerder dan bij haar vriend. „Voor hem hoefde het nog niet zo nodig. Het ging toch goed, onze dochter kon nog niet eens praten, hij kende haar nog maar net. Waarom zouden we beginnen aan een tweede, met het risico dat die de boel zou verstoren?” Valide argumenten, zegt ze nu. „Ik zette daar een niet-rationeel, maar groot verlangen tegenover.” Met als extra reden in haar achterhoofd dat een broer of zusje erbij goed zou zijn voor hun dochter.

‘De tweede krijg je voor de eerste’ is nou precies zo’n aanname waarvan zij de geldigheid ging onderzoeken, inmiddels na „flink zeuren en huilen” in verwachting van haar tweede. Beetje te laat misschien? Nee, schudt ze. „Ik had dit boek niet kunnen schrijven als het besluit niet genomen was. Ik kon me pas afvragen wat de tweede betekent toen er geen weg terug meer was.”

Met De tweede heeft ze een onderwerp te pakken dat vrijwel iedereen beroert. Je bent broer of zus, je hebt er een, of juist niet. En wie al een kind heeft, wil, overweegt of hoopt er vaak nog een te krijgen. Je kunt ook denken: ze maakt een probleem van iets dat vanzelfsprekend is. Al eeuwenlang worden er tweede kinderen geboren. Daarop zegt zij weer dat de hoogleraar bij wie ze promoveerde elk artikel dat hij schreef, kon samenvatten met één zin: het is ingewikkelder dan je denkt. „Onderzoek doen naar de tweede zijn of krijgen heeft ook een abstracte component. Wat betekent het om iets nog een keer te doen? De primeur trekt altijd alle aandacht, aan de herhaling hechten we weinig waarde. We hebben het over de tweede plaats, tweede keus, de tweede viool.”

Iets gaat helemaal mis

Zelf is zij de eerste, het oudste kind van twee. Weet ze nog dat haar zusje werd geboren? Nou en of, zegt ze, het is misschien wel haar vroegste herinnering. „Ik logeerde bij de overburen. Mijn moeder beviel thuis en ik mocht komen kijken, het was al avond. Ik was uitzinnig, tot ze vertelden dat ze Sanne heette. Dat moest natuurlijk Súzanne zijn, net als in het liedje van mijn vader. [Haar vader was gitarist van VOF de Kunst, die destijds een hit hadden met het nummer Suzanne].” Ze herinnert zich vooral haar onmacht. „Ik dacht: hier gaat iets helemaal mis en ik kan niets doen om het te veranderen.”

Ook zo’n aanname: ouders géven het oudste kind iets, een broertje of een zusje. Maar ze nemen het ook iets af, namelijk tijd en exclusieve aandacht. „Dat de tweede die onverdeelde aandacht überhaupt misloopt, en hoe oneerlijk dat eigenlijk is, daar hoor je gek genoeg niemand over.” Wat je wél hoort, is hoe onmogelijk en jaloers het oudste kind zal reageren op de nieuwe baby. Veel van die gedachten over onvermijdelijke jaloezie zijn gebaseerd op wat negentiende-eeuwers daarover zeiden. Charles Darwin, die zijn kinderen minutieus observeert, constateert „duidelijke tekenen” van jaloezie bij zijn zoon William van 15 maanden wanneer zijn zusje Annie wordt geboren. Sigmund Freud stelt dat „vijandige gevoelens ten aanzien van broers of zussen schering en inslag zijn” en zijn volgeling Alfred Adler noemt de komst van nog een kind een „traumatische gebeurtenis” voor de voorganger.

Dus wat gééf je het oudste kind precies? En waarom in godsnaam? Dat de komst van een tweede een grote overgang is voor het kind dat er al is, wordt niet betwist, zegt Lynn Berger. „Het levert vaak stress op, en soms ook slaapproblemen en woedeaanvallen.” Maar tegenwoordig zijn er andere verklaringen voor dat gedrag. „Iedereen, ook volwassenen, gaat zich na een plotselinge overgang en de vermoeidheid die daarbij hoort, kinderlijker gedragen.” Een biologische verklaring is dat de oudste probeert de aandacht en zorg van de ouders vast te houden door zich jonger voor te doen. „Vergeet mij niet, bedoelt de peuter die ineens weer brabbelt als een baby.” En de leukste verklaring, vindt Lynn Berger: „De oudste imiteert de jongste om zich met hem of haar te vereenzelvigen. Het is geen jaloezie of vermoeidheid, maar een poging tot identificatie.”

De tweede volgt – gemiddeld – twee, drie jaar na de eerste. „Precies op het moment waarop een kind op z’n agressiefst, ongehoorzaamst en veeleisendst is.” Om te weten wat de komst van een baby met die nee-fase van doen heeft, zou je het kind langer moeten volgen. „De wetenschappers die dat deden vonden dat er inderdaad rond de geboorteperiode wat meer gedragsproblemen ontstonden, maar na vier maanden was het oudste kind meestal weer de oude.”

Gevoel voor eigenwaarde

Eén kind is een boom, twee kinderen is een bos. Eén kind is een accessoire, die neem je overal mee naartoe. Met twee ben je een gezin en zit je, vult Lynn Berger aan „vastgeklonken”. Waarom denken ouders dat twee kinderen beter is dan één? „De vooroordelen over enig kinderen zitten heel diep.” Het wordt zielig gevonden.

Lees ook over de kindloze Sheila Heti, die op haar 36e een diep persoonlijk boek over moederschap scheef: ‘Als vrouw kun je niet gewoon zeggen dat je geen kind wilt’

Enig kinderen zouden minder sociaal zijn, minder goed kunnen delen, verwender zijn en egocentrischer. Maar voor al die beweringen vond zij „zo goed als geen bewijs” in wetenschappelijke literatuur. „Integendeel.” Enig kinderen onderscheiden zich hooguit doordat ze iets gemotiveerder zijn op school en ook zouden ze „meer gevoel van eigenwaarde” hebben.

Daar hoef je het dus niet om te doen. Voor het geluk van de ouders dan? Ook niet echt. Het kind dat ouders tot ouder maakt, de eerste dus, veroorzaakt een duidelijke gelukspiek. „Bij de tweede zie je een piekje, bij de derde verandert er in het geluksniveau helemaal niets meer.” Zelf weet ze nog heel goed hoe ze haar kindertijd mét zusje Sanne heeft ervaren. „Ik vond haar vaak lastig, we maakten veel ruzie.” Ze heeft haar ook naar haar herinneringen aan hun gedeelde kindertijd gevraagd. „Ze had er drie paraat. Iets met een beker, een poppenwagen en de keer dat ik een museum had ingericht en ze, bij hoge uitzondering, mee mocht doen en voor bezoeker mocht spelen. Tien keer kocht ze braaf een kaartje, de entree bedroeg één gulden.”

In de jaren zeventig en tachtig begonnen sibling scientists de band tussen broers en zussen te onderzoeken. Zij stelden vast dat 30 procent van de interacties tussen broers en zussen bestaat uit ruzie.

Jeugdzondes goedmaken

En vrijwel altijd betitelt de oudste de jongste als ‘lastig’ en ‘irritant’. De jongste tilt zwaarder aan het gedrag van de oudste, ervaart dat vaak als afwijzing en dicht de oudste eigenschappen toe als: bazig, egoïstisch, gemeen. „Bij mijn zusje en mij is de strijd pas opgehouden toen ik het huis uitging. Nu zijn we heel hecht.” Maar zelfs toen ze volwassen was en voor promotieonderzoek in New York woonde, kon ze nog razernij voelen als ze op Facebook zag dat haar zusje een T-shirt uit háár kast droeg. „Zó kinderachtig.”

Ouders op hun beurt denken bij hun kinderen typische trekjes te zien die horen bij hun geboortevolgorde. De oudste is zelfstandig en verantwoordelijk, de jongste rebels en sociaal vaardig, dat idee. Ook daarvan blijft, wetenschappelijk gesproken, weinig overeind. „Het zijn clichés. In de broer-zusrelatie gedraagt de oudste zich misschien dominant of bazig, simpelweg omdat dat kán als oudste. Maar dat zegt niet iets over iemands persoonlijkheid. Je kunt niet hard maken dat alle mensen die thuis de oudsten zijn, bazig zijn.” Realiteit is wel dát ouders hun kinderen met elkaar vergelijken. „Bij mij begon het vergelijken al toen hij niet exact op de uitgerekende dag werd geboren, zoals zijn zus.” Hij huilde harder, dronk meer, sliep slechter.

Ouders die vergelijken, moedigen competitie misschien wel aan en om dat voor te zijn, volgde ze – ook voor haar boek – een opvoedcursus. „Uit onderzoek blijkt dat de kinderen van moeders die zelf slechte herinneringen hadden aan het opgroeien met een broer of zus, positiever met elkaar omgaan dan de kinderen van moeders met een prettige, probleemloze relatie. Blijkbaar willen moeders als ik hun jeugdzondes goedmaken, en doen ze meer hun best de band tussen hun kinderen te versterken.”

De geboorte van de eerste is een „transformatieve ervaring”, er worden ouders geboren. Ze weet nu dat de tweede keer ook een verandering teweegbrengt, zij het een subtielere. De kennis die ze heeft opgedaan heeft haar verlost van verkeerde aannames, bevrijd van het idee dat een ouder het helemaal goed kan doen, en leverde ook wat praktische adviezen op. „Aan tafel zeg ik: ‘Oscar eet eens door’. Ik weet nu dat ik er niet achteraan moet zeggen: ‘Eliza heeft haar bord al leeg’.”