Opinie

Bombita

Mirjam de Winter

Ze is eigenlijk niks veranderd sinds ik haar voor het laatst zag als ‘Bombita’ bij een optreden van Herman Brood & His Wild Romance. Dat was begin jaren negentig in Parkzicht, dacht ik, maar het zou net zo goed in een of ander lullig achterafzaaltje in de Hoeksche Waard kunnen zijn geweest. Als puberend plattelandsmeisje liep ik jarenlang zo’n beetje alle concerten van Herman Brood af en droomde ervan ook ooit een van zijn Bombitas te worden. Niet omdat ik ambities had als zangeres, maar omdat een leven als Bombita (wat ‘speedbommetje’ betekent onder drugsgebruikers) me vele malen opwindender leek dan het mijne, dat zich in die tijd grotendeels afspeelde in de enige cafetaria van Numansdorp. Verlangend naar meer spanning en wilde romantiek, zag ik hoe Brood zich tijdens optredens keer op keer op zijn knieën gooide voor zijn Bombitas: „I want you! I love you like I love myself and I don’t need nobody else”. Op de terugweg, in de laatste bus richting Numansdorp, stelde ik me voor hoe Herman die nacht met zijn Bombitas in een supersized hotelbed zou belanden, met tussen hen in een fles whiskey en een berg speed: „Cha Cha!”

En nu zag ik haar weer terug, Inge Bonthond, de Rotterdamse Bombita. Gewoon bij mij om de hoek, in de Talmastraat, waar ze al jaren blijkt te wonen. Haar lijf nog altijd slank en soepel, haar rode haren net als vroeger hoog opgestoken en haar lippen knalrood gestift. Niet in een sexy jurkje dit keer, maar in een geel hesje bij wijze van „ludiek protest” tegen haar gedwongen verhuizing. Woningbouwcorporatie Vestia wil haar woning, en die van 60 andere huurders in de wijk, grondig gaan verbouwen. Wie recht heeft op een sociale huurwoning krijgt een urgentieverklaring en „de rest moet het zelf maar uitzoeken”, vertelt een boze Inge. Ze maakt zich zorgen, want is bang te worden weggestopt in een achterstandswijk, ver weg van het centrum. „Het lijkt wel een plaag”, zegt ze, „al die arme Rotterdammers die de stad uit worden gejaagd om plaats te maken voor mensen met een dikke portemonnee.”

En dus heeft de voormalige Bombita samen met acteur en kinderboekenschrijver Joris Lutz een protestlied gemaakt, op de melodie van ‘America’ uit de West Side Story. En neemt ze die middag samen met haar buren een bijpassende videoclip op, waarvoor alle figuranten in gele hesjes zijn gestoken. Bewoners uit de Tweebosbuurt op Zuid, waar Vestia ook op grote schaal gaat slopen en renoveren, zijn naar Bergpolder gekomen om de actie te steunen. „Stop de sloop van Rotterdam!” roepen ze.

Ex-Bombita Inge danst, zingt en stráált die middag, net als vroeger. Als de regisseur van de videoclip een korte pauze inlast, durf ik het haar eindelijk te vragen: „Hoe was ‘het’ nou met Herman?” Een impertinente vraag misschien, die ik bovendien beter niet had kunnen stellen. De Bombitas deden ‘het’ niet met Herman, vertelt ze, al deed de man nog zo zijn best. Hij noemde haar liefkozend ‘Kontje’, viel voor haar billen, haar Rotterdamse tongval en nuchterheid. Maar Bombita Inge vond Herman Brood te „oud, maf en viezig”. „Je stinkt naar poep, Herman”, had ze hem ooit eerlijk gezegd, toen hij weer een poging waagde. Het verhaal erachter wil ze me besparen, te ontluisterend.

Mirjam de Winter (@mirjamdewinter) is freelance journalist en stadsgids in Rotterdam.