Opinie

Klaas Knot sprong terecht uit zijn vel

De besluitvorming binnen de Europese Centrale Bank zorgt voor frictie. Draghi's opvolger Christine Lagarde zal de collegialiteit moeten herstellen.

Maarten Schinkel

Besluiten op basis van consensus, in een geest van samenwerking. Zo omschrijft de Europese Centrale Bank zelf zijn bestuursmodel. Toen de bank werd bedacht, kreeg elk euroland, hoe groot of klein ook, één stem. Want, zo was de tijdgeest in de jaren negentig, centrale bankiers behoren tot een gilde. Het waren broeders, magisters, apolitieke vakmensen voor wie hun nationaliteit er niet toe doet. Hun analyses en besluiten betroffen het algemeen belang van de eurozone. Niet het enge landsbelang.

Alleen bij bedrijfszaken als kapitaalverdelingen en -verhogingen geldt bij de ECB een tweederde meerderheid, en weegt de omvang van een land mee. Maar voor de monetaire beslissingen werd en bleef het: één land, één stem.

Fast forward naar 2019: vorige week donderdag kookte bij sommige nationale centrale bankiers de ergernis over, toen zij voor de zoveelste keer als minderheid volledig werden weggebulldozerd door topman Mario Draghi.

Duitsland, Oostenrijk, Nederland en Frankrijk waren tegen een herstart van het opkoopprogram dat Draghi er doorheen joeg. Zo groot was de ergernis dat de Nederlandse centrale bankier Klaas Knot de volgende ochtend in een verklaring openlijk afstand nam. Een unicum.

Deze frictie belooft erger te worden. Onder Draghi is de daadkracht misschien toegenomen, maar de collegialiteit heeft geleden. Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk en Nederland hebben samen ruim 51 procent van de bevolking van de eurozone, bijna 56 procent van het bij de ECB ingelegde kapitaal en ruim 59 procent van het bruto binnenlands product. Waarom werden ze bij zo’n vergaand besluit zomaar aan de kant gezet? Omdat het kon.

Sinds 2014 is de besluitvorming een beetje aangepast. De grote landen (Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje en Nederland) kregen met zijn vijven vier stemmen. Eens in de vijf maanden stemt Nederland bijvoorbeeld niet. De veertien andere, kleinere landen kregen elf stemmen. Drie van hen stemmen, roulerend, niet mee. Veel voordeel heeft dat de grotere landen niet opgeleverd. Zij hebben nu 4/5, geeft 0,8 stem. Kleinere landen hebben nu 11/14, geeft afgerond 0,79 stem. Malta is bij de ECB nog steeds even groot als Duitsland.

Nu zijn er ook zes permanente bestuurders bij de ECB, inclusief de president. Grote landen leveren er vaak één van, dus ze wegen in de praktijk vaak wel iets meer. Maar vaak, zoals vorige week, maakt dat niet uit. Vijftien (nationale centrale bankiers) plus zes (permanente bestuurders) geeft 21 stemgerechtigden. Met elf stemmen heb je een meerderheid. Ook al hebben zowel Duitsland als Frankrijk op dit moment een permanente bestuurder, het hielp vorige week niet.

Stel het volgende: Draghi en zijn chef-econoom Philip Lane, doen een voorstel. De vier overige permanente bestuurders zijn tegen. Dan kunnen Draghi c.s. in theorie met negen kleine landen toe om een meerderheidsbesluit te krijgen.

De gevolgen zijn schokkend: in theorie is dan maar tien procent of minder van de bevolking, van het bbp of van de kapitaalinleg in de eurozone nodig om de rest zijn wil op te leggen. Dat krijg je als ‘consensus en samenwerking’ overboord worden gegooid.

Je kunt je afvragen hoe lang dat goed gaat. Ja, in de VS heeft de Federal Reserve een systeem dat lijkt op de ECB. Maar de VS zijn één land, de eurozone niet. En bij het Internationaal Monetair Fonds wordt keihard gestemd volgens de weging van het door landen ingelegde kapitaal. Wordt dat het voorland van de ECB? Het wordt zaak dat Draghi’s opvolger Christine Lagarde vanaf december de collegialiteit herstelt en rekening houdt met, met name, Duitsland en andere ‘minderheden’. Anders wordt, en blijft, het hommeles in Frankfurt.

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.