Siegfried Woldhek

Ivo van Hove blijft graag een raadsel, ook voor zichzelf

Theater Regisseur Ivo van Hove neemt woensdag 25 september de Johannes Vermeerprijs (100.000 euro) in ontvangst. Een gesprek over punk, broers en de taal van het lichaam. „De tekst is maar een aanleiding voor een voorstelling.”

‘O my god”, zegt Ivo van Hove als hij hoort dat de interviewer zijn gehele oeuvre in ogenschouw wil nemen. „Oké. Maar dan ga ik wel even het raam dichtdoen.” De enscenering voor zo’n opgave verdraagt geen stadsgeluiden.

Ivo van Hove is in een goede stemming. In ieder geval begeleidt hij zijn antwoorden geregeld met een stevige grijns. Voor vrolijkheid is op deze maandag alle reden. Een avond eerder was de regisseur te gast bij Zomergasten en dat leverde mooie televisie op. Eerder op de dag repeteerde hij aan de voorstelling Freud, die komende zondag bij zijn Internationaal Theater Amsterdam in première gaat. Komende woensdag ontvangt hij de Johannes Vermeerprijs en daarmee 100.000 euro voor een zelf te kiezen project.

Met deze zeer terecht toegekende prestigieuze staatsprijs voor zijn schitterende oeuvre voegt hij zich tot zijn genoegen in een rij grootheden uit andere kunstdisciplines, onder wie Pierre Audi, Marlene Dumas en Steve McQueen. Het verheugt hem dat zijn vak, het theater, daar nu tussen staat én dat het een oeuvreprijs betreft. „Het fijne is dat mensen zien dat je werk in een verband staat.”

Over Ivo van Hove weten we steeds meer. Bij Zomergasten sprak hij openhartig over zijn verlatingsangst, de dood van zijn moeder en het belang van vertrouwen bij regisseren. De vorig jaar bij zijn zestigste verjaardag verschenen biografieën bevatten veel intieme informatie over zijn leven. Toch is hij graag een raadsel, ook voor zichzelf, zei hij op tv.

Er blijft genoeg te bespreken, niet in de laatste plaats omdat Van Hove zo krankzinnig productief is. Afgelopen seizoen regisseerde hij Een klein leven, All About Eve in Londen, Dood in Venetië, Électre/ Oreste in Parijs en de opera Aufstieg und Fall der Stadt Mahagonny in Aix-en-Provence. Komende weken volgen Freud en de Nederlandse versie van Bowie-musical Lazarus. In februari regisseert hij de musical West Side Story in New York, waar hij woont met Jan Versweyveld, zijn echtgenoot en vaste scenograaf.

Zijn grootschalige projecten, trilogieën en monsterproducties hebben door de jaren heen veel lof opgeleverd, maar evengoed kritiek geoogst. Blijft hij nieuwsgierig naar de reacties op zijn werk?

„Natuurlijk. Ik heb me voorgenomen nooit cynisch te worden. Op jonge leeftijd zag ik veel mensen die cynisch in het vak stonden en ik dacht: waarom doe je het dan? Stap eruit!”

Kun je toegeven dat een voorstelling niet goed is gelukt?

„Ik weet niet wat daar het belang van is.” Geamuseerde glimlach.

‘All About Eve’ bijvoorbeeld?

„Dat is iets anders. Ik had begin dit jaar niet de gelukkigste tijd van mijn leven, door allerlei factoren. Is het mijn allerbeste voorstelling ooit? Nee!” Een lach.

Siegfried Woldhek

„Het was een voorstelling waarin Jan en ik alles durfden. Met een gezelschap, de Comédie-Française, dat we niet kenden. Ik voelde mij totáál vrij. Het gezelschap was, zoals hier, open, ontvankelijk en ondernemend. De overeenkomst zit in het simpele, het ruwe, het ogenschijnlijk onaffe van de voorstelling.

„Het rauwe kwam ook van de locatie, de Cours d’Honneurs in Avignon, de buitenplaats van een burcht. Als daar de wind waait hoef je geen pruik op te zetten, want die is weg. Dat heeft ons zeker geïnspireerd, want Jan en ik zijn begonnen in hangars aan de haven in Antwerpen en in een oude, vervallen wasserij. Daar voelen we ons thuis. Wij begrijpen zo’n ruimte.”

Guy Cassiers noemde jullie beginperiode zelfs punk. Was je ooit punk?

„Nee, punk ben ik nooit geweest. Ik had geen hanenkam.”

Op een foto uit die tijd heb je een snor. Dat zag er niet heel punk uit.

„Eerder macho.” Lachje. „De geest van de punk speelde wel een rol. Antwerpen was de stad van de punk. Het waren jaren van grote verandering, ook in het theater. En die punkmentaliteit – we don’t care, fuck it – hadden wij ook. Alles zelf doen, geen subsidie. Want we wilden niet bij het establishment horen.”

Theatermaker Patrice Chéreau is je grote voorbeeld. Waarom?

„Alles wat ons vak is, komt bij hem aan bod. Een uitspraak van hem is: het belangrijkste wat een regisseur te doen heeft, is zorgen voor een goede opkomst en voor goed afgaan. Daar zijn regisseurs vaak slordig in. Dat geeft aan hoeveel belang hij hechtte aan de mise-en-scène: hoe acteurs bewegen, waar ze zitten. Het verschilt enorm als ze in een hoek of in het centrum staan, of op de grond zitten. Dat heeft mij ontzettend beïnvloed.

„Het misverstand over theater, in de hele wereld, is dat de tekst heilig is. Nee, de tekst is maar een aanleiding. Hij begreep als de beste dat psychologie ook in je lichaamstaal zit. Er is niet alleen de taal van de tekst, er is ook de taal van het lichaam.

„Niettemin is Patrice Chéreau met tekst een speurneus. Hij wist altijd een onverwachte ingang te vinden bij een personage, en dat was iets wat in de tekst is te vinden. Die taalprecisie is zijn kracht.”

De parallellen met je eigen werk liggen voor het oprapen.

Van Hove lacht: „Dat moet jij dan maar doen. Maar ik pik er natuurlijk uit waar ik de grootste affiniteit mee heb. Ik maakte al theater voor ik hem gezien had. Er zat van alles ín mij. Maar ik werd bevestigd in mijn zoektocht. Ik doe het ook op mijn manier.”

Ivo van Hove

Foto ANP KIPPA/ LEX VAN LIESHOUT

Hoe dan?

„Een Engelse acteur, Ben Wishaw, zei me dat ik zulke simpele aanwijzingen kon geven. Ik liet hem op een schoolbord slaan en toen wist hij hoe hij de volgende zin moest zeggen. Fysieke actie creëert een reactie. Dat doe ik vaak.

„Tegen Stef Aerts zei ik net bij de repetitie dat hij even in een hoekje alleen moest gaan zitten. Dat viel perfect samen met wat hij te spelen had. En hij moest dichter op Hélène [Devos, zijn tegenspeelster] kruipen. Onnatuurlijk dicht, bijna mond tegen mond. Bij die handelingen zoek ik de grenzen op, om een situatie op zijn maximum te laten branden.” Plots Vlaams: „Dat probeer ik he.”

Om Wagners ‘Nibelungen’ te begrijpen ben ik filosofen en sociologen gaan lezen

‘Les Damnés’, uit 2016, noemde je misschien wel een van je beste werken. Het bracht je terug naar de rauwheid van je eerste voorstellingen. Hoe zit dat?

Guy Cassiers zegt dat je familie een enorme impact op je werk heeft gehad en dan met name het ziek worden van een van je broers.

„Mijn broer zat in het tweede jaar van de universiteit. Plotseling waren er verschijnselen, gewelddadige momenten. Gedrag dat mijn ouders niet konden plaatsen. Sindsdien is hij opgenomen geweest. Hij is nog grote periodes thuis geweest, maar altijd teruggevallen. Hij is nu al lang in een beschermde omgeving, waar hij het goed heeft – op zijn manier. Onze eerste voorstelling, Geruchten uit 1981, ging over hem. Iemand speelde mijn broer, die niets zei. Het was mijn manier om het te doorgronden, want ik was close met mijn broer.

„Voor je die vraag stelt: zonder dat mijn acteurs dat wisten, ging Kreten en gefluister [2009] over het doodgaan mijn vader, dat ik het jaar daarvoor meegemaakt had. In dit geval was mijn vader Chris Nietvelt geworden. Ik heb er Chris nooit iets van gezegd. Dat is niet nodig.”

Op je elfde naar het internaat, dan een vriend die sterft, dan een broer die wegvalt. Was dat van invloed op hoe je de wereld beschouwt?

„Ja, maar op een goede manier. Zo voel ik dat. Verlatingsangst zit in mij. Dat heeft niets met dat internaat te maken. Het ligt verder terug, denk ik. Het gaat over waar je gevoelig voor bent.

„Freud herinnert zich iets wat met zijn vader gebeurd is op straat. Hij is enorm vernederd, als jood, op straat. Dat maakt op Freud een enorme indruk, levensbepalend. Zo werd ik ’s avonds eens wakker, waarna ik op zoek ging naar mijn moeder. Mijn ouders bleken niet thuis te zijn. Daar is wellicht iets ontstaan. Dat je alleen bent en van niks weet.

„Ik ben ook bang in het donker, alla, dan weet je alles.”

Hoogtevrees, bang voor dieren.

„En doodsangst. Maar doodsangst niet meer, heb ik gemerkt. Een paar jaar geleden zat ik in een auto met acteurs. Jan reed. Op een glad stuk begon de auto te slippen en draaien. Achterin begon een acteur te krijsen: ‘Nee! Nee!’ Mij overviel een enorme rust. Gek genoeg heb ik toen ontdekt dat ik geen doodsangst heb. Zoals ik schrik heb van honden, terwijl de hond van Hans Kesting steeds in het repetitielokaal is en ik voor hem niet bang ben.”

Je zegt dat je nog nieuwe dingen aan het ontdekken bent. Hoe heb je je door de jaren heen ontwikkeld?

„De eerste jaren waren een grote kreet: hier ben ik, kijk naar mij. De voorstellingen waren persoonlijk, op een manier die moeilijk te ontraadselen was. In mijn tijd bij het Zuidelijk Toneel, de jaren negentig, is de verdieping in het werk gekomen. Door de vaste plek en een kleine groep loyale acteurs. Ik was er thuis.

„In Amsterdam, vanaf 2001, is in mijn werk de maatschappelijke dimensie erbij gekomen. Dat kwam ook door 9/11 en doordat ik de Ring ben gaan doen. Der Ring des Nibelungen regisseren heeft mijn leven veranderd, want om Wagner te begrijpen ben ik filosofen en sociologen gaan lezen. Dat werd een reservoir aan kennis.

„Uit die fase is bijvoorbeeld ook Een Klein Leven voortgekomen: misbruik als groot maatschappelijk probleem. Je kunt veel voorstellingen in dat verband plaatsen, ook de Couperus-trilogie. Couperus is een heel maatschappelijk schrijver.”

In het theater gaat het nu vooral over diversiteit, racisme, uitsluiting.

„Ik maak werk over heel de wereld. Ik maakte A View From The Bridge en Rocco en zijn broers over migratie. Maar ik was mijn tijd misschien vooruit. Mijn werk is veel politieker dan veel mensen willen toegeven. Die onderwerpen houden mij volop bezig. Diversiteit is hier een dagelijks gesprek.”

Toch heeft het even geduurd voor er acteurs van een diverse afkomst in het ensemble kwamen.

„Dat klopt. Maar eerlijk is eerlijk. Pas sinds een paar jaar komen die acteurs van de toneelscholen. Wij werken voor de grote zaal en dat vraagt om geschoolde acteurs. Het zal tijd kosten.”