Opinie

Het verlangen naar saaiheid van György Konrád

Paul Scheffer

‘De meest bestendige ervaring van mijn leven tot nu toe is het gevoel geweest dat het geweld voor de deur staat.” Die ervaring deelt hij met veel van zijn generatiegenoten in Midden-Europa. Hun leven werd overhoop gegooid door de grote geschiedenis. De vorige week overleden Hongaarse schrijver György Konrád wist het zeker: zijn schrijverschap kwam voort uit een speling van het lot.

Konrád werd geboren in 1933 – het jaar van de boekverbranding. Zijn romans zijn getekend door de eenzaamheid van een kind dat als een van de weinige Joodse inwoners van een provinciestad het einde van de oorlog haalde. „In al mijn boeken staat het doden centraal”: de blootstelling aan willekeur kleurde zijn humanisme met een pessimistische ondertoon.

In de jaren tachtig en negentig verslond ik zijn romans en essays. De vermenging van beide genres leek hem vanzelfsprekend – hij zag ze beide als vormen van een dagboek. Al zijn geschriften zijn losse weefsels, waarmee hij de ervaring van Midden-Europa laat zien: „Bij onze manier van denken horen omwegen, kronkels, depressies en grote sprongen vooruit.”

Konrád was regelmatig in Nederland. Het was altijd boeiend om naar hem te luisteren, al verschool hij zich op een podium achter een voortkabbelende en mompelende betoogtrant. Even geen zin meer in opwinding: je voelde het gewicht van een leven waarin de geschiedenis had huisgehouden. Die betoogtrant kwam helemaal tot zijn recht in de mooie televisieserie Nauwgezet en wanhopig van Wim Kayzer.

We hebben veel aan Konrád te danken. Niet alleen heeft hij romans als De medeplichtige en Tuinfeest nagelaten, maar zonder zijn zachtmoedige verzet tegen het communisme was de fluwelen revolutie een stuk rafeliger geweest. Hij was met Václav Havel en Adam Michnik een van de belangrijkste dissidenten in die lange jaren van onderdrukking. Ze beseften dat de aantasting van de persoonlijke levenssfeer de kern van het totalitaire bewind was. Daarom stond bij hen de individuele vrijheid voorop: „Als een schrijver bang is denkt hij niet aan de woorden, maar aan de gevolgen.”

Deze dissidenten belichaamden voor mij een zeldzame burgermoed. Als correspondent in Warschau bezocht ik hen geregeld, gewapend met een fles sterke drank, en voelde de druk die op hen rustte. Toch bleven ze in de meest benarde omstandigheden vrijuit spreken. Konrád relativeerde dat later: „Dankzij het vorige regime kon ik gemakkelijk een avonturier zijn, zelfs terwijl ik in een schommelstoel een pijp zat te roken.”

In het magische revolutiejaar 1989, nu dertig jaar geleden, bleek dat deze eigentijdse idealisten het beter hadden gezien dan de machtsrealisten. Uiteindelijk werd het ondenkbare mogelijk: zelfs een massieve staat bleek niet bestand tegen geestelijke onafhankelijkheid. Met hun ‘antipolitieke’ omweg droegen de dissidenten beslissend bij aan de ondergang van het communisme.

Konrád bleef na de fluwelen revolutie bezorgd. Hij zag het risico van een heropleving van het vooroorlogse nationalisme in Hongarije. Het verlies na de Eerste Wereldoorlog van tweederde van het grondgebied bij het Verdrag van Trianon was nog niet vergeten. Dat sindsdien een op de vier Hongaren buiten de eigen grenzen woont, noemde hij een „niet te onderdrukken krenking”.

Ook de decennia van een communistisch bewind werken nog volop door in het openbare leven: „De lessen, de sporen, de stijl, de moraal en de logica van die veertig jaar kunnen niet zomaar in de prullenbak verdwijnen.” Iedereen speelt weliswaar het spel van de morele wedergeboorte, maar de spoken van het verleden zijn nog alom aanwezig. Hij zag als een van de eersten hoe communisme en nationalisme in elkaar konden overlopen: beide stellen de staat boven het individu.

Zijn hoop in die jaren was gevestigd op een langzame verburgerlijking van de samenleving. Maar hoe moet dat als in veertig jaar tijd die burgerij is afgeschaft, zo vroeg hij zich af. „Toch moet dit ons doel zijn: bewust kiezen voor betrouwbare saaiheid en de middelmatigheid van beproefde democratieën.”

Thuisgekomen na alle omzwervingen koesterde Konrád een ‘betrokken afstandelijkheid’. Hij had zijn bekomst van de grote geschiedenis die hij mede had gemaakt. Zijn utopie was een land waarin de straatnamen niet voortdurend veranderen. De overheid zag hij het liefst als personeel in een goed hotel: geruisloos en dienstbaar. Maar zijn land sloeg luidruchtig een andere weg in.

De werking van zijn woorden werd gaandeweg minder. Dat zag hij ook wel: „Wat had U gedacht, meneer, een bloeitijd zonder verval, schijnwerpers die nooit uitgaan?” In een van zijn latere romans roept Konrád de beslotenheid van een tuin op. We herkennen het verlangen naar onthechting – het lot in eigen hand.

Paul Scheffer is hoogleraar Europese studies.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.