‘The Book of Mormon’ is een bijtende satire over geloof (en veel meer)

Musical Grof, satirisch, atheïstisch, absurd en aanstootgevend. The Book of Mormon, van de makers van South Park, is ook een geoliede musical en een fijn buddy-verhaal. Vanaf volgende week een maand in Carré.

De zendelingen Price en Cunningham in ‘The Book of Mormon’, tijdens een voorstelling in Washington D.C. twee jaar geleden.
De zendelingen Price en Cunningham in ‘The Book of Mormon’, tijdens een voorstelling in Washington D.C. twee jaar geleden. Foto Julieta Cervantes

Er zijn verschillende manieren om naar The Book of Mormon te kijken, de Amerikaanse succesmusical die een maand in Carré zal staan. The Book of Mormon is de creatie van de makers van South Park, de intens geestige, grove en maatschappijkritische animatieserie van Trey Parker en Matt Stone, die al sinds 1997 loopt. Zo beschouwd, als een afsplitsing van het South Park-universum, is de musical precies zo satirisch, aanstootgevend en absurd als je mag verwachten. En dan is hij nog meer, want The Book of Mormon is bovenal een geoliede muziek- en dansproductie, met catchy liedjes en uitgekiend danswerk.

De voorstelling opent met een koddige, gedragen voice-over die de oorsprong van het Boek van de Mormonen uit de doeken doet. Begin 19de eeuw verscheen er in Amerika een engel aan Joseph Smith, die hem vertelde dat er eeuwenoude gouden platen in een tuin lagen begraven. Hij ontcijferde het vreemde schrift op de platen en stelde het Boek van de Mormonen samen. Voor de volgelingen van Smith, de grondlegger van de Mormoonse Kerk, werd dit boek, na het Oude en Nieuwe Testament, het derde Heilige Boek.

De verteller maakt zich vrolijk over de weigering van Joseph Smith om de gouden platen, toch een onmisbaar artefact, te laten zien. Zoals er later in het verhaal veel vrolijkheid is over een essentieel onderdeel van het Mormonen-geloof: dat Jezus zich vlak na zijn wederopstanding uit de dood in Amerika heeft vertoond. Vrij lang voordat Columbus dat deed, maakte hij de oversteek. Jezus kon dat.

Inhoudelijk is The Book of Mormon dan ook een atheïstisch feestje. Alle aannames, regels en instituties van deze religie worden op de hak genomen. Het lijkt veilig van de makers om hun bijtende satire te richten op deze bizarre christelijke afsplitsing, maar met zes miljoen leden in de VS en zestien miljoen leden wereldwijd zijn de Mormonen de status van obscure sekte ontstegen. Het doel van de makers reikt dan ook verder. Aan alles voel je hoe blind geloof in de doldwaze aannames en regels van álle grote religies en hun instituties op de korrel wordt genomen. Met als belangrijke correctie de ruimte voor de menselijke warmte die een persoonlijke, religieuze overtuiging kan opleveren. In de belangrijkste verhaallijn is dat het inzicht dat de twee hoofdfiguren verwerven. Dat klinkt wat sentimenteel, en dat is het ook.

Buddy-film

In Nederland is een maand lang de Amerikaanse Broadway-versie te zien. Ik zag de Britse West End-versie op een dinsdagavond in maart in het Prince of Wales Theatre in Londen. De musical speelt er sinds 2013, steevast voor een uitverkochte zaal. Het ensemble zette een messcherpe show neer, met wonderschone samenzang en puntgave dans. Startpunt van het kolderieke verhaal is een groep jonge Mormonen die in Salt Lake City, hoofdstad van de Mormonen, wordt klaargestoomd om op missie te gaan en zieltjes te winnen. Twee moeten er naar Oeganda: Price, de populaire jongen met de hoekige kaak en Cunningham, de eenzame nerd. Twee tegenpolen die kameraden worden, in een olijke knipoog naar de buddy-film.

In het Oegandese huttendorp hebben de bewoners hun eigen problemen. De lokale krijgsheer dreigt iedereen te vermoorden als de vrouwen zich niet allemaal besnijden. Tot sulletje Cunningham, die graag fantaseert, hun een alternatieve (en natuurlijk niet zo’n brave) versie van het Boek van de Mormonen voorhoudt. Dat leidt ertoe dat de dorpelingen geloven dat de Mormonen hen werkelijk kunnen helpen.

Het tempo ligt hoog: de grappen en wendingen volgen elkaar snel op. Tegelijk schreven Parker en Stone een conventionele musical, die eer betuigt aan de organische combinatie en afwisseling van samenzang, groepsdans en puntige dialogen. De inherente sentimentaliteit en geliktheid van het genre maakt op een vanzelfsprekende wijze onderdeel uit van de stijl, die bij vlagen tongue-in-cheek wordt overdreven en dus geïroniseerd.

Het respect voor de traditionele vorm is een van de redenen dat de musical in de Amerikaanse en Britse pers zo juichend is binnengehaald. Zoveel oprechte liefde voor de musical van twee makers die zo graag provoceren, verraste menigeen. Een andere reden voor de royale lof is de vertrouwde blasfemische en scatologische humor, die aanschuurt tegen de rauwe grappen in South Park. Voor de Nederlandse kijker, gehard en gerijpt door snoeiharde, nietsontziende cabaretgrappen en een liberaal debat, zijn die grensoverschrijdende grappen ongetwijfeld minder een hoofdzaak. Maar ontegenzeggelijk valt er veel te lachen.

Lion King

Bijvoorbeeld in de scène waarin de jongens aankomen in hun Oegandese dorp. Price en Cunningham zijn tijdens hun reis beroofd. Hun gastheer Mafala kalmeert ze. Hij heeft een kreet die oplucht en dat moet wel in dit deel van Afrika, zegt hij, want ze kampen met oorlog, aids, droogte en hongersnood. De kreet luidt: ‘Hasa Diga Eebowai’. Betekent dat: ‘Maak je niet te veel zorgen?’ vragen de jongens. Zoiets, zegt hij. De jongens moeten het maar proberen. En dus zingen ze over hun verloren bagage en de te volle bus. Waarna Mafala onthult dat de uitdrukking (fantasie-Swahili overigens) ‘Fuck you God’ betekent. Hij barst uit in zingen: „When god fucks you in the butt!” De dorpelingen antwoorden: „Hasa Diga Eebowai.” Waarop Mafala weer zingt: „Fuck god back in the cunt!” Enzovoort.

De montere goddeloosheid van de Oegandezen is de hefboom voor de grap, die draait om de naïviteit en de luxeproblemen van de onthutste, jonge, witte jongens. Maar de setting wekte ook wrevel, vanwege het eeuwige beeld van Afrika als arme, zwarte mensen in een dorp, geteisterd door ziekte, honger en geweld. Een opinieartikel in de Huffington Post stelde dat de eenzijdige blik op ‘donker Afrika’ in de populaire cultuur aan herziening toe zou zijn. De vergelijking werd gemaakt met de roman Heart of Darkness (1899) van Joseph Conrad, waarover de Nigeriaanse auteur Chinua Achebe schreef dat het racisme in dat boek totaal aan westerse lezers voorbijging.

Dat is zeker een overweging. Tegelijk doet de situering denken aan de South Park-aflevering Osama bin Laden has farty pants uit november 2001, kort na 11 september. Ook daarin worden de ongemakkelijke rijkdom van de Amerikanen en de even botte als naïeve pogingen om een land met serieuze problemen (in dit geval Afghanistan) te helpen flink bespot.

Parker en Stone plaatsen Book of Mormon nadrukkelijk in Noord-Oeganda. Dat gebied is al decennia lang het werkterrein van het Verzetsleger van de Heer (LRA), volgens deze krant „de meest moorddadige rebellengroep in Afrika van de afgelopen halve eeuw”. De beruchte leider is massamoordenaar Joseph Kony. Zijn naam valt niet in de musical, maar de krijgsheer die de vrouwen wil verminken, wordt net zo gevreesd en is even gewelddadig. Tegelijk is hij, net als de winden latende en kamelentongende Bin Laden in South Park, een schertsfiguur. Hij noemt zich General Buttfucking Naked. Ergens te midden van alle uitzinnige verwikkelingen wordt hij verjaagd.

Er is nog een moment waarop de makers zich bewust tonen van de setting. Als hij getuige is van een moord, zegt de geschokte Price dat Afrika in het geheel niet lijkt op de Lion King: „Die film moet een hoop artistieke vrijheid hebben genomen.” Zo’n zinnetje vrijwaart de musical niet van een kritische blik, maar het zegt allicht iets over de intenties van de makers.

The Book of Mormon. Carré, Amsterdam. 26/9 t/m 27/10. Inl: carre.nl