Opinie

Wonderboom

Ellen Deckwitz

Dus dit weekend was ik even bij de ouwelui en zo’n bezoek begint altijd met een uitgebreide rondleiding door de achtertuin. Mijn ouders zijn fanatieke tuiniers en hielden ook dit keer weer een heel betoog over welke exotische planten ze hebben weten op te kweken en in hoeverre de Datura hen weer heeft teleurgesteld. Ook dit keer zag de achtertuin eruit als een floralia op lsd en achterin stond een rij prachtige en mij onbekende plantjes in volle bloei: aardbeirode bloesembolletjes op donkergroene steeltjes.

„Zijn die nieuw?”, vroeg ik.

„Dat”, zei mijn vader, „zijn wonderbomen! Ik kreeg afgelopen najaar wat zaadjes van de buurman een paar huizen verderop.”

„Dan moet je ook maar even vertellen waaróm je die zaadjes kreeg”, zei mijn moeder.

„Nou, ik had het dus met hem over ouder worden”, zei mijn vader. Dat verbaasde me niets: het dorp van mijn ouders is praktisch een bejaardentehuis. Hun straat bestaat voor het grootste deel uit zeventigplussers.

„Ik vertelde hem”, vervolgde mijn vader, „dat ik het moeilijk vind dat ik steeds minder kan. En toen kwam de buurman met gedroogde zaadjes van de wonderboom aanzetten. Een handjevol slikken en bam, je bent dood! Altijd handig om in huis te hebben, vond hij.”

„Hij gaf hem dus een euthanasie-doe-het-zelfpakket”, zei mijn moeder.

„Maar ik wilde helemaal niet dood!”, zei mijn vader.

‘We denken nu dat die buurman levensmoe is”, zei mijn moeder, „dus we houden een oogje in het zeil, hebben zijn vrouw en huisarts en kinderen geïnformeerd.”

„Maar ik kwam van het voorjaar dus die zaadjes tegen”, vervolgde mijn vader, „en ik dacht van ja, wat zonde eigenlijk van die arme zaadjes wanneer je ze niet voor consumptie gebruikt. Liggen ze daar maar een beetje stof te verzamelen. Dus vijlde ik ze wat aan, liet ze ontkiemen en poef! Binnen enkele maanden waren het prachtige plantjes! Kijk nou hoe mooi ze erbij staan! Met die dappere stengeltjes van ze!”

„En zo worden we er ook elke dag aan herinnerd om even te kijken of de buurman nog leeft”, zei mijn moeder, „Waar zo’n plantje al niet goed voor is.”

„Dus eigenlijk maakte ik van iets dat de dood in zich draagt iets dat het leven in stand houdt”, zei mijn pa triomfantelijk. Typisch iets voor hem. Zelfs van een gif weet hij een bloeiende onderneming te maken. Ik staarde naar de kleine wonderboompjes. De wind stak op, en even leken hun ronde bloesems te veranderen in pompons en de steeltjes in groene armen, was het alsof er in de achtertuin een rij cheerleaders bezig was met een vrolijk aanmoedigingsdansje, schuddend met hun giftige knoppen om de dood op afstand te houden.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.