Opinie

Prinsjesdag en onze nationale zelfkennis

Tom-Jan Meeus

Op Prinsjesdag mogen ministers graag vertellen wat ze allemaal willen veranderen, en dat kun je ze niet kwalijk nemen: het is hun kleine bijdrage aan de geschiedenis. Tegelijk creëert de nadruk op die veranderingen dat langlopende trends weinig of geen aandacht krijgen. En dus heeft Prinsjesdag vaak iets van een vergissing: bijzaken die als hoofdprogramma worden gepresenteerd.

Zodoende horen we bewindslieden eindeloos praten over een kozijn dat ze willen vervangen of een muurtje dat ze gaan verven. Maar het huis waarin we met zijn allen wonen passeert in hun verhalen zelden de revue.

Eén trend die me al langer intrigeert is de verhouding tussen de uitgaven voor optimisme en vooruitgang (onderwijs) en de uitgaven voor consolidatie en beheer (zorg en uitkeringen). Die groeit al jaren scheef.

Tien jaar terug, in de miljoenennota van 2010, ging iets meer dan 50 procent van alle rijksuitgaven naar zorg en uitkeringen, en 14,5 procent naar onderwijs. Volgens de Miljoenennota die vandaag uitkomt gaat in 2020 ruim 55 procent van de rijksuitgaven naar zorg en uitkeringen. Voor onderwijs is nog 13 procent van de rijksuitgaven beschikbaar.

En wat je op Prinsjesdag dus zelden hoort is dat mensen zich afvragen: maar wat voor land worden we als deze trend zich voortzet?

Nu kun je zeggen: Nederland vergrijst, logisch dat we meer uitgeven aan goede zorg en fatsoenlijke uitkeringen voor vooral ouderen. Je kunt ook zeggen: maar als dat ten koste gaat van de beste investering die we kunnen doen in vooral jongeren – de jacht, via onderwijs, op het talent dat in elk mens verscholen zit – dan gaat onze hang naar medemenselijkheid ten koste van de vooruitgang. Ten koste van de nationale toekomst.

Het is ook zo interessant omdat we blijkbaar niet meer uitgepraat raken over (nationale) identiteit. Er gaat amper nog een week voorbij of iemand dropt een opvatting of beslissing die garant staat voor een nieuw verhevigd debat over ‘wie wij zijn’. De ene keer moet iedereen het volkslied leren, de volgende keer hoort de Gouden Eeuw als begrip te verdwijnen, en zo beleven we een permanente maar uitzichtloze kakafonie over het favoriete onderwerp van deze tijd: onszelf.

Maar nationale identiteit vereist om te beginnen nationale zelfkennis. En je vraagt je wel af hoeveel van ons op een dag als Prinsjesdag nog te weten komen dat we ons als land meer inspannen voor consolidatie en beheer (zorg en uitkeringen) dan voor optimisme en vooruitgang (onderwijs). Misschien vergis ik me, maar ik hou er rekening mee dat het nogal wat mensen is ontgaan dat dit de richting is waar we als land voor hebben gekozen.

Tom-Jan Meeus (t.meeus@nrc.nl; @tomjanmeeus) schrijft op deze plek een wisselcolumn met Lotfi El Hamidi.

Correctie (17 september 2019): in een eerdere versie van deze column stond dat in 2010 bijna 30 procent van alle rijksuitgaven naar onderwijs ging en in 2020 23 procent. Dat moet zijn: 14,5 procent in 2010 en 13 procent in 2020. Dat is aangepast.