Opinie

Gouden Eeuw blijft zichzelf bij overvloed en onbehagen

Geschiedenis

Commentaar

De aankondiging van het Amsterdam Museum dat het niet langer de term ‘Gouden Eeuw’ gebruikte voor de zeventiende eeuw was als methode om het nieuwe ‘inclusieve’ programma van het museum onder de aandacht van een groter publiek te brengen een daverend succes. Zoals te verwachten barstte sinds donderdag een publiek debat los tussen voor- en tegenstanders. Het debat werd vrijdag in de dagelijkse talkshow De Wereld Draait Door gepersonifieerd door historicus Zihni Özdil, oud-Tweede Kamerlid voor GroenLinks, en Forum voor Democratie-voorman Thierry Baudet. Özdil vindt de term elitair en wil hem afschaffen, Baudet houdt van de term en wil hem behouden. Maar achter het meningsverschil over de naamgeving van een tijdvak, schuilt een splijtend politiek conflict over hoe de wereld moet worden ingericht. Voor het gemak kan gedacht worden aan de tegenstelling tussen progressief en conservatief. Zo bezien kan het opiniestuk van de directie van het Amsterdam Museum voorlopig ook getypeerd worden als een geslaagde vorm van museummarketing in tijden van cultuuroorlog.

Lotte Jensen liet maandag in haar boeiende gastcollege op de opiniepagina van NRC over de ontwikkeling van de term Gouden Eeuw zien, dat Baudet en Zihni slechts „probeerden de geschiedenis te plooien naar eigen behoeften”. Terecht deed zij een oproep om genuanceerd om te gaan met het Nederlandse verleden en plaatste de Gouden Eeuw in historisch perspectief.

De discussie over de nieuwe naamgeving door het Amsterdam Museum de tentoonstelling ‘Hollanders in de Gouden Eeuw’ gebeurt tegen de achtergrond van een ander denken over de rol en functie van musea. Zo deden vorige maand Clayde Menso en Melle Daamen in NRC een oproep om te komen tot een radicaal andere aanpak. Ze stellen dat het diversiteitsbeleid van de afgelopen twintig jaar, dat uitgaat van de gedachte dat mensen gelijke kansen moeten hebben op deelname aan cultuur „als volstrekt mislukt moet worden beschouwd”. Net als ook toenmalig staatssecretaris Rick van der Ploeg (Cultuur, PvdA) rond de eeuwwisseling tevergeefs vaststelde, blijven gesubsidieerde kunstinstellingen overwegend witte bolwerken, naar bezoekers en bestuurders. De radicaal andere aanpak van Menso en Daamen komt erop neer dat de door de overheid gesubsidieerde cultuur niet exclusief zou moeten zijn. „Niet langer moet het doel zijn om één cultuur in het keurslijf van de andere te integreren.”

Zulke cultuurrelativistische geluiden zijn brandgevaarlijk in deze tijden. Niet per se verwerpelijk, maar pleiten voor radicale verandering gericht tegen het „overwegend wit en vergrijzend publiek” brengt het doel van de gelijke kansen op cultuurdeelname voor iedereen ook niet echt in zicht. Bovendien, woorden hebben hun betekenis: niemand kiest voor cultuur als een keurslijf. Alles begint met fatsoenlijk onderwijs voor iedereen. Maar dat is een andere discussie.

Eigenlijk is de aanpak van het Amsterdam Museum nog niet zo gek. Op één gevoelig punt een zogenaamd radicale verandering invoeren die in aan de historische werkelijkheid niets verandert. Virtueel praat iedereen in Nederland sinds vorige week over de plaats die de zeventiende eeuw inneemt in de geschiedenis. Er wordt gelezen, dingen worden opgezocht en er is debat. Het verleden leeft. Precies daarvoor zijn die musea er. En die Gouden Eeuw, die slaat zich wel door alle golven van overvloed en onbehagen heen.