Recensie

Recensie Muziek

Zinderende ‘Vuurvogel’ en knetterende koorscènes bij Gergiev in De Doelen

Recensie Gergiev Festival Het Gergiev Festival had dit jaar een Frans tintje. Gergiev etaleerde zijn klasse in twee lijfstukken van Stravinsky en Berlioz.

Sprookjesachtig: Gergiev tijdens de uitvoering van De vuurvogel, in De Doelen op 13 september 2019.
Sprookjesachtig: Gergiev tijdens de uitvoering van De vuurvogel, in De Doelen op 13 september 2019. Guido Pijper

Afgelopen jaren wist het Gergiev Festival een aantal keer te stunten met opvallende programma’s – alle pianoconcerten van Rachmaninov (2015) en Prokofjev (2016) bijvoorbeeld, of onconventionele keuzes bij het herdenken van de Russische Revolutie (2017). Vorig jaar klonk het festival iets minder Russisch, met muziek van Wagner, Debussy en Mahler (én een wereldpremière van Sofia Goebaidoelina), en die trend zette dit jaar door met het thema ‘Paris, mon amour’.

Daarmee verdween Rusland geenszins uit beeld, want Parijs is immers ook de stad van Diaghilevs Ballets Russes, waar Stravinsky een eeuw geleden doorbrak met zijn eerste grote ballet, De vuurvogel. En dat is een lijfstuk van Gergiev, die het vrijdagavond uitvoerde met het Orkest van het Mariinski Theater, dat traditiegetrouw was overgekomen uit Sint-Petersburg. Gergiev heeft De vuurvogel al honderd keer gedirigeerd, waarschijnlijk vaker, maar desondanks was er van gemakzucht of voorspelbaarheid geen sprake: vanaf de dreigend marcherende bassen van de opening was de spanning voelbaar.

Muzikale reis vol risico’s

Gergiev liet een sprookjesachtige sfeer opbloeien, waarin prachtige kleurenwaaiers opengingen. De solistische details waren uitstekend, maar vooral opereerde het Mariinski-orkest met een collectieve focus die geen moment verslapte. Nevenschade van Gergievs werkwijze – weinig repeteren, fladderende vingers en priemende blikken – waren een handvol rommelige maten, maar aan energie schortte het geen seconde, en bovenal zorgde hij voor een zinderende apotheose. Het wiegelied van de fagot klonk adembenemend en louterend, omdat het veroverd was op een muzikale reis vol risico. Die was voor de pauze al schitterend begonnen met Messiaens uitgesponnen meditatie L’ascension.

De randprogrammering bood Frans getinte recitals voor orgel, klavecimbel en pianoduo – dat laatste door de broers Jussen. En zaterdagavond sloot het festival voor het eerst in jaren af met een niet-Russisch spektakelstuk: het operaoratorium La damnation de Faust van Berlioz, eveneens een lievelingscomponist van Gergiev. Met het Rotterdams Philharmonisch en het uitstekende Rotterdam Symphony Chorus, aangevuld met zangers uit het koor van het Mariinsky Theater en het Nieuw Amsterdams Kinder- en Jeugdkoor, bracht Gergiev een enerverende uitvoering van Berlioz’ bewerking van Goethes Faust I.

Uitblinker: bas Petrenko

Van het solistenkwartet was bas Mikhail Petrenko – een graag geziene festivalgast – de absolute uitblinker. Zijn Méphistophélès was een verleidelijk schmierende intrigant, met een diepe klank en aanstekelijk spelplezier. In vergelijking leek tenor Alexander Mikhailov als Faust wat stijfjes, en hij overtuigde niet steeds. Ook sopraan Yulia Matochkina (Marguerite) maakte een wisselende indruk: enorm geluid, maar nu en dan onvast. Haar aria D’amour l’ardente flamme was vooral memorabel door de mooie althobosolo. Mikhailov en Matochkina zongen wel een sterk duet.

Dat het toch knetterde in De Doelen kwam door Berlioz’ grootse koorscènes, die met veel vuur werden vertolkt. Donderend, bij Fausts verdoeming, maar ook verfijnd in de fugatische stemmenweefsels en bij momenten, zoals aan het slot, met magische verstilling. Bovendien hield Gergiev een stevige greep op de vele schakelingen en schakeringen in Berlioz’ kleurrijke, grillige muziek. Het orkest klonk over de hele linie goed, met een glansrol voor de kopersectie.