Hoekstra’s investeringsfonds kan ook ‘het pad naar de hel’ zijn

Prinsjesdag Moet de overheid de economie stutten nu de rente laag is? Het CPB waagt zich aan de vraag – en ziet genoeg risico’s.

Vorige week zei ECB-president Mario Draghi dat hij begrepen had dat Nederland een fonds van 50 miljard euro had klaarstaan.
Vorige week zei ECB-president Mario Draghi dat hij begrepen had dat Nederland een fonds van 50 miljard euro had klaarstaan. Foto Martti Kainulainen/AFP

Waar is het fonds van Wopke Hoekstra gebleven? Die vraag kan gesteld worden na lezing van de Miljoenennota en de Macro Economische Verkenning (MEV) die deze dinsdag aan de Staten Generaal worden aangeboden. Enkele weken geleden gonsde het van de geruchten dat Nederland een investeringsfonds van enkele tientallen miljarden euro’s zou oprichten als buffer voor slechte tijden. Het idee was simpel: de staat krijgt dezer dagen geld toe als het een lening uitschrijft, dus wie nu leent, kan spotgoedkoop investeren in bijvoorbeeld infrastructuur of de energietransitie.

Nederland zou met zo’n fonds tegemoet komen aan internationale kritiek dat de hand nu eindelijk eens van de knip af moet. Na jaren van economische groei en toenemende overschotten op zowel de begroting als de betalingsbalans klotst het geld tegen de plinten op. Vorige week nog zei ECB-president Mario Draghi dat hij begrepen had dat Nederland een fonds van 50 miljard had klaarstaan. „Nu is de tijd om dat te activeren”, aldus de ECB-president, die het zat is dat alleen centrale banken op dit moment de economie stimuleren.

In de Miljoenennota is het voorstel onder invloed van politiek gekissebis verdampt tot een paar vage alinea’s over een onderzoek naar zo’n fonds. Geen concrete datum, geen concrete bestemming en al helemaal geen concrete bedragen. Minister Eric Wiebes (Economische Zaken, VVD) gaat er de komende tijd eens rustig op kauwen, op zoek naar „een brede agenda om het duurzame verdienvermogen op de lange termijn te versterken”.

Frivool en diepgaand

De kernvraag die ten grondslag ligt aan zo’n fonds is echter interessant genoeg om te bestuderen, vindt het CPB. Volgens de meeste macro-economen ligt het nogal voor de hand dat landen als Nederland op dit moment de begrotingsruimte die ze hebben benutten. Want moeten overheden in deze tijden van lage rentes niet alles op alles zetten om de economie te stutten, nu deze als gevolg van geopolitieke spanning in rap tempo afkoelt? Het CPB wijdt daarom ook een apart – frivool geschreven, maar diepgaand – hoofdstuk in de MEV (‘Schuld zonder boete(n)?’) aan de vraag wat een overheid kan en zou moeten doen in tijden van negatieve rentes op de kapitaalmarkten.

De redenering die het CPB hierin toetst, draait om de verhouding tussen de rente en de groei. Voormalig IMF-econoom Olivier Blanchard gooide deze steen eerder dit jaar in de economische vijver. Volgens hem geldt dat zolang de rente kleiner is dan de groei, de rentelasten minder snel toenemen dan het bbp. Per saldo neemt de staatsschuld in dat scenario af. Daarmee ontstaat ruimte om de economie een boost te geven via productieve investeringen.

Het CPB toetst deze claim aan de hand van historische datasets en komt tot de conclusie dat „zoals altijd” de feiten genuanceerd liggen. Blanchard heeft maar ten dele het gelijk aan zijn kant. Uit OESO-cijfers blijkt dat niet elk land op dezelfde wijze van het verschil tussen rente en groei profiteert en ook dat periodes van positieve en negatieve verhoudingen tussen rente en groei elkaar rap afwisselen.

Investeren in periodes van lage rente brengt ook het risico met zich mee van procyclisch beleid (olie op het vuur). Als de staat al een fonds zou willen volstorten met goedkoop geld, dan komt het aan op een goede timing wanneer dit geld ingezet moet worden, en waaraan.

Voor Nederland geldt dan nog specifiek dat de oplopende kosten voor de vergrijzing roet in het eten gooien. De uitholling van de pensioenen door diezelfde lage rente brengen mogelijk nieuwe kosten met zich mee voor de toekomst. Daarvoor is ook ruimte op de begroting nodig, aldus het CPB.

Tegelijkertijd is de staatsschuld nu laag, heeft Nederland een fors overschot op de betalingsbalans en laten ook de Europese begrotingsregels ruimte voor het financieren van transities bij structurele hervormingen. Wie in dat geval kiest voor incidentele investeringen, gefinancierd met lage-renteleningen die lang zijn vastgelegd, belast zijn begrotingssaldo niet, aldus het CPB.

Maar pas op, kapitaalmarkten geloven niet in sprookjes, en ook kiezers laten zich geen rad voor ogen draaien, meent het CPB. Anders gezegd: gratis geld bestaat niet, schulden moeten worden terugbetaald en investeringen, of dat nou publieke of private investeringen zijn, gaan gepaard met risico’s. Zelfs goed gemikte publieke investeringen zijn maar ten dele om te zetten in klinkende opbrengsten voor de schatkist.

Tenslotte wijst het CPB erop dat niets zo blijvend is als tijdelijke investeringen. Wat begint als een tijdelijke crisismaatregel, blijkt politiek weerbarstige materie op het moment dat dit weer moet worden afgeschaft, zie bijvoorbeeld de ‘tijdelijke’ verlaging van de btw voor arbeidsintensieve diensten. Zelfs goed afgebakende, eindige projecten, zoals die bedoeld voor de energie- en klimaattransitie, hebben de neiging eeuwigheidswaarde te krijgen, zeker als de regels waarmee ze omgeven zijn niet nageleefd worden.

Feitelijk zegt het CPB dat er macro-economisch gezien in bepaalde omstandigheden best wat voor een afgebakend investeringsfonds te zeggen valt, maar dat de politiek zichzelf niet moet vertrouwen. „Het pad naar de hel is bezaaid met goede bedoelingen ;-).”

Minister Hoekstra wil tientallen miljarden investeren in de economie. Is dat een goed plan of niet? Zes voordelen en zes nadelen

Geopolitieke onzekerheden

Nog los van de risico’s die samenhangen met zo’n fonds, waarschuwt het CPB nog voor een ander risico: ramen is lastig, zeker als het de toekomst betreft en zeker als die toekomst onderhevig is aan de grillen van impulsieve leiders als Donald Trump of Boris Johnson.

Niet bekend is of de handelsruzie tussen de Verenigde Staten en China wordt bijgelegd, of alsnog escaleert. Evenmin is duidelijk in hoeverre het onder Trump ontwaakte Amerikaanse protectionisme zich verder op de Europese Unie gaat richten.

Het CPB raamt een groei van de wereldhandel, voor Nederland zeer relevant, op 1,9 procent. Dat is minder dan de helft van wat in de jaren tot 2019 gangbaar was.

Geopolitieke spanningen breiden zich uit: de aanslagen in Saoedi-Arabië van afgelopen weekend en de prijspiek van olie die daarop volgt, is een ander voorbeeld. Het CPB, dat nu eenmaal een olieprijs moet ramen, heeft ruwe olie in 2019 staan op 64,9 dollar per vat in 2019 en 61,3 dollar in 2020. Maar als de spanningen in het Midden-Oosten oplopen kan dat zomaar heel anders worden, met gevolgen voor economische groei, inflatie en het monetaire beleid. En of de euro zijn lage koers van 1,12 dollar die het CPB voorziet, werkelijk behoudt, is maar de vraag in een gespannen wereldeconomie waar valutapolitiek op de loer ligt.

En dan misschien wel de meest concrete onzekerheid van dit moment: de aard en timing van het afscheid dat het Verenigd Koninkrijk neemt van de Europese Unie.

Een harde Brexit zonder deal, zo becijfert het CPB, kan de economie 1 procentpunt economische groei schelen. Dat lijkt mischien niet zo veel. Maar met een geraamde groei van slechts 1,5 procent in 2020, is die 1 procent wel zo’n beetje het verschil tussen voortmodderen op de kruissnelheid van de economie, of afstevenen op een recessie. Waarbij dat mysterieus verdwenen investeringsfonds nog actueler zou worden.