Opeens was het delen van lief en leed niet alleen meer voor intimi

Special over 20 jaar Big Brother Dit was niet bedacht of bewerkt, dit was echt. En ‘echt’ zou de televisie van de komende decennia bepalen. Zo ook ons gedrag op internet.

Illustratie Pepijn Barnard

Je ziet een golvend dekbed, in korrelig groene nachtbeelden. „Ietsje lager”, hoor je Bart fluisteren. Daarna zie je hem met Sabine in bed een sigaretje roken. Net als in de film.

Veel was er niet te zien. Toch was deze allereerste seksscène in een realitysoap het moment dat Big Brother veranderde van een tv-hit in tv-geschiedenis. De miljoenen kijkers stroomden toe, het programma werd verkocht aan zestig landen.

Big Brother was op veel manieren een mijlpaal. Het veranderde de televisie: realityprogramma’s werden vanaf toen vaste ankers van iedere zender. En het programma legde trends bloot die het begin van de komende eeuw zouden domineren. Ideeën over privacy en aandacht voor de gewone mens zijn sinds Big Brother drastisch veranderd. Gewone mensen zonder noemenswaardige vaardigheden kunnen nu via televisie beroemd worden. Zie bijvoorbeeld de Kardashians. En zie Apprentice-ster Donald Trump, onze eerste reality-president.

Op een onbewoond eiland

Had Big Brother voorlopers? Zeker. Het leven van gewone mensen laten zien in een mix van documentaire en soap gebeurde voor het eerst in Nummer 28 (KRO, 1991), waarin de bewoners van een studentenhuis werden gevolgd. Dit kreeg snel een vervolg in The Real World op MTV. Maar volgens de realitykundigen vielen deze programma’s nog onder de ‘unstructured reality’: de tv-makers volgen het dagelijks leven zonder verder ingrijpen. In ‘structured reality’ daarentegen, plaats je de gewone mensen in een speciale omgeving, als in een socio-psychologisch experiment. Zo werd voor de Zweedse televisie in 1997 een groep mensen op een onbewoond eiland gedropt, waar ze elkaar moesten bestrijden in wedstrijdjes: Expedition Robinson.

Zoals Expeditie Robinson drijft op de opwinding van survivallen, zo dreef de eerste Big Brother op de gezapigheid van een bungalowpark. Op een terrein in Almere werd een woning van containers gebouwd en volgehangen met camera’s en microfoons. Hierin werden negen gewone mensen voor 106 dagen gevangen gezet. „Het is als kijken hoe de verf opdroogt”, zei een Amerikaanse tv-recensent, „maar als je lang genoeg naar de verf tuurt, zie je een muurschildering ontstaan.” Hij noemde Big Brother ‘Proustiaans’, verwijzend naar Op zoek naar de verloren tijd, de ennuyant emmerende roman fleuve van Marcel Proust.

Vooraf werd er schande van gesproken. Zoals gebruikelijk lagen de goede smaak en moralisme hier in elkaars verlengde. Niet alleen zou Big Brother het niveau van het toch al laag ingeschatte medium nog verder omlaag halen, het programma zou ook schadelijk zijn voor de deelnemers. Als je mensen zo lang opsluit, en berooft van iedere privacy, zo was het idee, dan zouden ze gillend gek worden en elkaar de hersens inslaan. Dagblad Trouw schreef: „Het lijkt op een laboratoriumproef: stop een aantal ratten in een kooi en kijk welke het eerst door de anderen wordt afgemaakt.” Van eerdere experimenten, als het Stanford-gevangenis-experiment (1971), hadden we immers geleerd: de mens is de mens een wolf.

Big Brother bewees het tegendeel: de mens is de mens een knuffeldier. De eerste groep werd een bonobofamilie waarvan de leden half ontkleed tegen elkaar aan hingen, en elkaar doorlopend knuffelden en troostten. De vaderlijke Ruud, voorheen soigneur van de wielervrouwenploeg, masseerde de groep. Willem kookte lekker voor iedereen. De moederlijke Karin was het luisterende oor. Bart was de stoere zoon met het kleine hart. Sabine de opstandige dochter, die bij de eerste ontmoeting meteen haar onderrugtattoo toonde.

De vergelijking met bonobo’s klopt in zoverre niet dat er geen seks was, afgezien van bovengenoemd samenzijn van Bart en Sabine. En dat was een atypisch afscheidscadeau: de groep voelde zich bedreigd doordat de twee een koppel vormden, dus werd Sabine weggestemd. Op de laatste avond kregen de twee, wellicht uit schuldgevoel, voor één keer een slaapzaal tot hun beschikking. De anderen lagen op de andere zaal over flatulentie te praten, waarbij Ruud een klaroenstoot ten beste gaf.

Om toch wat spanning in de harmonieuze groep te brengen, hadden de bedenkers wedstrijd-elementen toegevoegd. De bewoners moesten opdrachten doen (heel veel ballonnen opblazen, de ronde van Nederland fietsen op een hometrainer). Als ze er niet in slaagden, werden ze gekort op hun rantsoen. Bewoners klaagden na afloop over honger. En ze moesten elkaar ‘nomineren’ om eruit gezet te worden. Het volk zou vervolgens stemmen wie van de genomineerden moest vertrekken. Zo bleef er na drie maanden één winnaar over, die een kwart miljoen gulden kreeg. De nominaties leidden tot spanning. Vooral toen Willem zijn ‘maatje’ Ruud nomineerde. Strategisch verstandig, maar Ruud zag het als verraad. Na zijn tijd in het huis werd Willem lastiggevallen door kijkers (per post of mondeling, bij gebrek aan Twitter) die hem ‘matennaaier’ noemden.

Uniek aan de eerste groep was dat ze de eerste tijd niet wisten wat er buiten gebeurde. Ze konden zich niet voorstellen dat kijkers geïnteresseerd zouden zijn in hun „geneuzel”. Ze zaten in het oog van de orkaan en hadden – net als Truman in The Truman Show – er geen flauw benul van dat ze beroemdheden waren geworden.

De kijkers vonden het fantastisch. Het was de behoefte aan lome tv, aan voyeurisme en identificatie. Het was gluren bij de buren. Dat er niets gebeurde, maakte het alleen maar aantrekkelijker. Dit was niet bedacht of bewerkt. Dit was echt. ‘Authenticiteit’ is sindsdien een doorslaggevende tv-kwaliteit. Ruud snapte dat al; zijn devies: „Altijd jezelf blijven”.

Al snel wilde iedereen een realityprogramma. Het genre waaierde uit. Uit de directe navolgers van Big Brother, van De Bus en De Gouden Kooi tot Oh Oh Cherso en Utopia, blijkt dat de realityscheppers één les hadden geleerd. Voor Big Brother hadden de makers nog gezocht naar een harmonisch boeket van stabiele, sociale kletskousen. De navolgers wilden juist meer herrie. Dus werden latere deelnemers geselecteerd op uitgesproken - en met elkaar botsende karakters.

Lees ook Hoe van alles misging in het selectietraject voor tv-programma Anorexia Eetclub

De optimistische jaren negentig waren voorbij, het was weer tijd voor ruzie. Reality-tv werd een misantropische freakshow. Niet identificatie is meer de drijfveer, maar het uitlachen van gekke aso’s die zich misdragen, opdat de kijker zich beter kan wanen. Het streven naar disharmonie komt bijvoorbeeld tot uiting in Temptation Island, dat erop is gericht om stellen uiteen te drijven. De enige realityshow die de oorspronkelijke waarden van de eerste Big Brother hoog houdt is We zijn er bijna: traag, gemoedelijk, lekker even niets.

Laat je niet gek maken

„Laat je niet gek maken”, was een van de gevleugelde uitspraken van Ruud. De angst dat reality psychisch slecht zou zijn voor de deelnemers, ging nog niet op voor Big Brother. Gevangen in het huis konden ze prima leven. Waar sommigen wel last van hadden, was de aandacht die na afloop over hen heen spoelde. Nu speelt de bezorgdheid om de deelnemers toch weer op. Het selecteren van afwijkende deelnemers zorgt vooral bij de hulp-tv voor problemen. Programma’s als Geef Mij Nu Je Angst (2014) en de Anorexia Eetclub (2018) sprongen slordig om met hun kandidaten, die toch al worstelden met psychische stoornissen. Zo krijgen de aanvankelijke critici toch gelijk.

Sinds Big Brother is het denken over privacy drastisch veranderd. Big Brother, de alziende heerser uit Orwells dystopische roman 1984 (1948), was ooit een schrikbeeld. Nu vinden we het normaal dat bijvoorbeeld Facebook ons overal achtervolgt en ons online gedrag verhandelt. Met de blik op privacy veranderde ook de blik op voyeurisme: veel mensen vinden het juist prettig om lief en leed te delen op sociale media. „Nu is iedereen zijn eigen Big Brother-bewoner”, zei Hummie van der Tonnekreek, toenmalig hoofdredacteur van Big Brother.

En dat alles dankzij één tv-programma. „Godverdikkie zeg”, zou Ruud zeggen.