Opinie

Het idee van een Gouden Eeuw helpt bij natievorming

Geschiedenis Het idee van een ‘gouden eeuw’ gaf de jonge Republiek een positief zelfbeeld. Niet schrappen die term, zegt Lotte Jensen. Je kunt er juist goed mee reflecteren op onze geschiedenis.

Overvloed (en onbehagen): Stilleven met kalkoenpastei van Pieter Claesz (1627).
Overvloed (en onbehagen): Stilleven met kalkoenpastei van Pieter Claesz (1627). Collectie Rijksmuseum

Over de term ‘Gouden Eeuw’ barstte afgelopen week een nationale discussie los. Aanleiding was een artikel van vier medewerkers van het Amsterdam Museum, die in de Volkskrant betoogden dat de lading ervan de historische werkelijkheid onvoldoende dekt. Ze pleitten voor een nieuw narratief om het museum „meerstemmig en inclusief te maken”.

Politici buitelden over elkaar heen. Premier Rutte (VVD) vond het afschaffen van de term „onzin” en Geert Wilders liet weten „beretrots” te zijn op deze periode. Het nationale debat kwam tot een kookpunt in De Wereld Draait Door. Meer dan een miljoen kijkers zagen hoe Zihni Ӧzdil, oud-Tweede Kamerlid voor GroenLinks, de degens kruiste met Thierry Baudet van Forum voor Democratie. De eerste pleitte voor afschaffing van de term omdat die alleen het perspectief van de elite laat zien, terwijl de laatste beargumenteerde dat we trots moeten zijn op dit tijdvak en dit moeten durven uitdragen.

De deelnemers in het debat hebben met elkaar gemeen dat ze zich de geschiedenis toe-eigenen en deze naar eigentijdse behoeften plooien. De discussie dreigt echter dusdanig te escaleren dat een genuanceerde omgang met het verleden nauwelijks meer mogelijk lijkt. Het lijkt mij zinvoller om het ontstaan en functioneren van deze term in een historisch perspectief te plaatsen. Dan blijkt dat deze op de klassieken gestoelde metafoor al eeuwen een centrale rol in het proces van Nederlandse natievorming speelt, tot op de dag van vandaag.

De term is ontstaan in de zeventiende eeuw, toen de jonge Republiek zich losmaakte van de Spaanse overheersing. Auteurs als Joost van den Vondel, P.C. Hooft en Jan Vos creëerden een positief zelfbeeld en benadrukten dat ze in een periode van ongeëvenaarde welvaart en culturele bloei leefden. Met name in 1648 kreeg dat idee een sterke impuls. Dat jaar werd de Vrede van Münster gesloten, waarmee de erkenning van de Republiek als soevereine staat een feit was. Door te verwijzen naar de opbloei van ‘een gouden tijd’ kwam een gemeenschappelijk vaderlandbeeld tot stand. Dat idee ging terug op de klassieke voorstelling van een aurea aetas, zoals beschreven door Vergilius en Ovidius. Het idee was dat de gouden tijd in de Republiek was teruggekeerd.

Lees ook: Is de Gouden Eeuw als term nog geschikt om in een museum te gebruiken?

Vredesvieringen

Dit motief zien we volop bij latere vredesvieringen, zoals de Vrede van Rijswijk (1697), de Vrede van Aken (1748) en de Vrede van Amiens (1802). Steeds weer grepen schrijvers terug op het beeld van een gouden tijdperk als richtsnoer voor de natie, waarbij ze het herstel van de handel en welvaart bejubelden. De verheerlijking van de Gouden Eeuw nam explosief toe in het negentiende-eeuwse cultuurnationalisme. Tijdens de napoleontische overheersing (1806-1813) bloeide de idealisering ervan op, om een hoogtepunt in de jaren 1840-1880 te bereiken. In literatuur, muziek en andere media werden de helden van weleer verheerlijkt. Dat de rol van Nederland op het Europese politieke toneel al lang was uitgespeeld, werd daarmee gemaskeerd.

De Britse socioloog Anthony Smith heeft in The Antiquity of Nations (2008) laten zien dat het creëren van zo’n ‘gouden eeuw’ een vast onderdeel vormt binnen ieder proces van natievorming. Het verschaft een natie een gevoel van authenticiteit, geworteldheid, continuïteit en waardigheid. Het creëert bovendien een lotsbestemming: de bloei en voorspoed van vroeger fungeren ook als een richtsnoer voor het heden. Opkomst en bloei (en eigentijdse wederopbloei) passen geheel in dat patroon.

Simon Schama’s Huizingalezing (2011): ‘We zijn terug in de 17de eeuw’

Succesverhalen en schaduwkanten

Terug naar DWDD. Als derde gast was Maarten Prak aanwezig, hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Hij publiceerde in 2012 de fraaie studie Gouden Eeuw. Het raadsel van de Republiek. Hij heeft oog voor zowel de succesverhalen als de schaduwkanten van de zeventiende eeuw. Oorlog en vrede, armoede en rijkdom, culturele bloei en uitbuiting; het komt allemaal voorbij. Opgewonden vroeg Matthijs van Nieuwkerk hem of hij zijn herdruk dezelfde titel mee zou geven. Ik denk het wel, zei Prak, maar voor een toelichting was helaas geen tijd meer. Verdieping of nuance past helaas niet binnen het format.

Zelf zal ik de term evenmin uit mijn boeken, colleges en lezingen schrappen, omdat deze als didactisch instrument kan dienen om studenten kritisch te laten reflecteren op het eeuwenoude proces van Nederlandse natievorming.

Dat de term een culturele constructie is, vertellen mijn collega’s en ik er altijd bij. Vanzelfsprekend staan we ook stil bij de schaduwkanten van de zeventiende eeuw, want de Gouden Eeuw is geen onschuldige metafoor. Het was een tijdvak van zowel overvloed als onbehagen, om de titel van Simon Schama’s bekende besteller over de zeventiende eeuw te citeren. Vondels bejubeling van Amsterdam als wereldmacht behandelen we ook vanuit dat perspectief. Maar hem schrappen uit de literatuurgeschiedenis doen we niet.

Twistgesprekken van politici ‒ van links of van rechts – zeggen vooral iets over onze tijd. De geschiedenis wordt gemanipuleerd, gekneed en bewerkt, opdat deze in de mal van de eigen tijd past. Dit soort identiteitspolitiek staat een genuanceerde omgang met het verleden in de weg.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.