Gerard Reve uit Betondorp

Gerard Kornelis van het Reve zag ik, groot bewonderaar van de familie Boslowits, Werther Nieland en De Avonden, als een onvervalst prozaschrijver. Totdat hij in de laatste maanden van 1962 met ‘Een nieuw Paaslied’ geheel onverwacht in een dichter veranderde.

‘Een nieuw Paaslied’ was als een vuistslag, een meedogenloos gedicht waarvan de regels zich in het geheugen etsten om nooit meer te verdwijnen.

Het begin van het gedicht is al schitterend (‘Zonder gedronken te hebben, prijs ik God./ Vandaag heb ik van alles meegemaakt.’), maar pas echt op drift raken de regels als de dichter zijn prooi, ‘vermoedelijk een Duitse toerist’ in de Bijenkorf heeft laten ontsnappen: ‘Nochtans werd ik niet moede, U te loven,/ Want onbegrijpelijk groot zijn al Uw werken:/ Gij, die het wezen gemaakt hebt/ dat van achteren een kut en van voren een staart heeft.’

Een paar regels verder krijgt het vers, op de Zeedijk, zijn apotheose: ‘Al neuriënd en in het geheim profeterend/ vervolgde ik mijn weg./ Toen zag ik Bet van Beeren, aan een wit tafeltje/ tegenover haar café gezeten, pogend met mes en vork/ een makreel te openen om deze in de zon te eten.’

Daarna komt God zelf nog even langs, maar Hij heeft er weinig aan toe te voegen.

Muizenpoot, zoals Gerard werd genoemd door zijn moeder die hij op zijn beurt Mammie Katoenstaart noemde, was 11 toen hij voor de Pioniersgroep ‘de Hamer’ een pionierslied schreef met de regels ‘De hamer dat is onze groep/ Zal groeien flink in leden/ En overal daar klinkt de roep/ „Laat er de hamer smeden.”’

Hij woonde toen in de Ploegstraat 57, nu 89, in Betondorp, te bereiken met lijn 19, uitstappen halte Brinkstraat.

Vijf jaar later, in de zomer van 1940, stuurde hij vanaf de Schilderskade zijn debuut de wereld in, Terugkeer, in een oplage van vijftig gestencild door Copieerinrichting ‘De Kameel’ aan het Meeuwenplein.

Er staan mooie regels in. Dit is uit ‘Lied van de pampa’: O gij sukkels, o gij kniezers,/ ziet, mijn hoed is breedgerand;/ aan mijn gordel zijn pistolen/ en mijn lijf is bruingebrand.’

Het duurde tweeëntwintig jaar voor Reve weer poëzie publiceerde. Net als ‘Een nieuw Paaslied’ is ‘Droom’ uit 1962: ‘Vannacht verscheen mij in een droomgezicht mijn oude moeder,’ eindelijk eens goed gekleed:/ boven het Woud waarin zij met de Dood wandelde/ verhief zich een sprakeloze stilte./ Ik was niet bang. Het scheen mij toe dat ze gelukkig was/ en uitgerust./ Ze had kralen om die pasten bij haar jurk.’

Guus Luijters schrijft wekelijks over de poëzie in de stad.