Brieven

Brieven

Illustratie
Illustratie Cyprian Koscielniak

Halverwege de jaren ’60 werkte ik een poosje als ober in Hotel De Wittebrug, destijds het meest chique hotel van Den Haag. Wat me opviel tijdens recepties en partijen was het gedrag van captains of industry, zoals Hub van Doorne van DAF, en gezagsdragers, zoals Den Uyl, toen minister van Economische Zaken, tegenover leden van het koninklijk huis, zoals prins Bernhard: dociel. Achteraf bezien natuurlijk goed te verklaren. Het was de tijd dat je als kind op Koninginnedag verplicht voor het stadhuis liedjes voor de koningin zong, en op de HBS als verplichte lesstof een rekest aan de koningin leerde schrijven: ‘... geeft met verschuldigde eerbied te kennen dat ...’.

Jaren later, tijdens een diner op de Nederlandse ambassade in Tokio, zat ik naast een ambassademedewerker en bracht ik voorzichtig het Republikeins Genootschap ter sprake, in de jaren ’90 een veelbesproken onderwerp. Met afkeurende blik zei die man: „Pas maar op dat de ambassadeur je niet hoort, die is bevriend met de koningin.” Ook hier had ik natuurlijk kunnen weten dat op Harer Majesteits ambassade een gespreksonderwerp als ‘een andere staatsvorm dan de monarchie’ anathema was.

En nu, kijkend naar het Journaal of Blauw Bloed valt me op hoe weinig er veranderd is: steeds opnieuw die onderdanige houding van Commissarissen van de Koning, burgemeesters, voorzitters van speeltuinverenigingen, etc. als de koning of koningin op bezoek komt, de boven ons gestelden.

Natuurlijk zal de minister-president het nieuwste vlekje op de monarchie bekwaam wegpoetsen, maar zou wat minder ‘verschuldigde eerbied’ en dociliteit en wat meer aandacht voor de kosten van de monarchie niet het beste antwoord zijn op alweer een koninklijk schandaaltje?