Brieven

Brieven

Oud en jong

Geen democratie

In het artikel Ouderen hebben te veel inspraak in een wereld die ze nog kort bewonen (11/9) schrijft Philip Huff dat jongeren slecht vertegenwoordigd zijn in de politiek. Beleidsmaatregelen die goed zijn voor de korte termijn krijgen daardoor de voorkeur boven maatregelen die op latere leeftijd voor deze jongeren goed zouden uitpakken. De ingewikkelde veranderingen in het politieke systeem die hij voorstelt om dit probleem te verhelpen zijn echter onnodig. Wanneer iedereen conform een geobjectiveerde voorkeur van zijn of haar leeftijd stemt, kan men ook de verkiezingen zelf afschaffen en, na een besluit over leeftijdsgewichten, de uitslag op grond van demografische gegevens door het SCP laten berekenen. Dat bespaart ontzettend veel tijd, geld en moeite. Een bijkomend voordeel zal zijn dat de opkomst 100 procent zal zijn, wat de nieuwe volksvertegenwoordiging meer legitimiteit zal geven dan de huidige. Ook mensen die de jaren des onderscheids bereikt hebben, hebben kennelijk soms nog steeds niet door wat democratie inhoudt. De uitkomsten van een proces op grond van eerlijke, egalitaire en democratische beginselen zijn niet altijd rechtvaardig. Maar wie inhoudelijke opvattingen over wat rechtvaardig is boven deze beginselen stelt, moet wel weten wat hij op het spel zet, namelijk de vrijheid.

SIRE-campagne

Niet slopen

Deze week lanceerde SIRE de campagne ‘Waardeer het, repareer het’. In Rotterdam willen de gemeente en Vestia de Tweebosbuurt slopen en vervangen door nieuwbouw. „Normaal zou je die woningen niet allemaal slopen. Technisch is er geen absolute noodzaak voor, hoewel de kwaliteit matig is”, lees ik in De sloop van een buurt die nog niet ‘op’ is (7/9). Misschien kan SIRE zijn campagne ook richten op bedrijven en overheid?

Gouden eeuw

Niet aan museum

Het Amsterdam Museum doet de kwalificatie ‘Gouden Eeuw’ in de ban (Amsterdam Museum heeft het niet meer over de Gouden Eeuw, 13/9). Die benaming voor een deel van de zeventiende eeuw is ontstaan in de verzetsliteratuur in de Franse Tijd om tegenover de onderdrukker de Nederlandse nationaliteit te benadrukken. Sindsdien staat de term in alle schoolboeken en in de historische literatuur voor de periode waarin Nederland wereldwijd opvallend bloeide. Economisch en militair, met de handel, het kolonialisme van de VOC en de WIC en met (vooral zee-)oorlogen, maar ook cultureel, met grote kunstenaars en bouwmeesters.

Het is niet aan een museum om een historisch begrip af te schaffen, maar het is wel de rol van een historisch museum om een serieuze kwalificatie als Gouden Eeuw ter discussie te stellen. Historicus Pieter Geyl (1887-1966) noemde de geschiedenis in 1956 een ‘discussie zonder eind’, omdat geschiedschrijving dynamisch is en de maatschappelijke ontwikkeling maakt dat zich daarin altijd nieuwe interpretaties en waarderingen aandienen. Voor een discussie over het begrip Gouden Eeuw is dus best aanleiding, zeker nu wordt gestreefd naar meer diversiteit in de culturele sector, en de zwarte bladzijden in onze geschiedenis meer aandacht krijgen. Uiteindelijk bepaalt echter de historische wetenschap in een serieuze publicatie of deze kwalificatie voor een deel van de 17de eeuw houdbaar is, en niet het Amsterdam Museum met een persbericht.


historicus

Luchtvaart

Vaker op vakantie?

Bestuursvoorzitter van Eindhoven Airport Roel Hellemons stelt in NRC heel stoer dat een groei van de luchthaven van 2,5 procent per jaar wenselijk is, omdat de kennisindustrie in de Brainportregio ook dat groeipercentage kent (In Eindhoven is minder herrie een voorwaarde, 11/9). Dat is wel een erg simplistische redenering. Het aandeel zakelijke reizigers is volgens een rapport van Ecorys, ‘Eindhoven Airport 2020-2030, marktvraag en economische spin-off’, de laatste jaren slechts 15 procent. Of groeien de vakantiereizen ook mee met de kennisindustrie?

Dementie-euthanasie

Onderbuik wint

De kogel is door de kerk: artsen mogen iemand doden die in een toestand verkeert waarvan die persoon in het verleden vastgelegd heeft die onacceptabel te vinden, ook als die persoon dat nu niet meer kan bevestigen (Rechter: euthanasie bij demente vrouw was zorgvuldig, 12/9).

Het is belangrijk te weten hoe zoiets gaat bij mensen die wilsbekwaam zijn. Bij veel chronische ziektes voorspellen patiënten hun leven namelijk veel eerder te willen beëindigen dan ze uiteindelijk verkiezen. Aangekomen in de verwachtte situatie kiezen zij ervoor om nog niet te sterven. Dit wordt verklaard door onderschatting van ons eigen aanpassingsvermogen, nadruk op wat we níet meer zouden kunnen in plaats van nog wél, en onderschatting van onze wil om te leven.

‘Wilt u inderdaad nu dood?’ Onder het mom van autonomiebescherming wordt nu gesteld dat het feit dat iemand niet meer oprecht ‘ja’ kan antwoorden op deze vraag, geen beletsel meer is om iemand te doden. Dat klinkt logisch, maar andersom kan zo iemand ook niet meer oprecht ‘nee’ antwoorden, terwijl we dus weten dat wilsbekwámen dat antwoord regelmatig zouden geven. Arts en filosoof Bert Keizer schreef eens: „Ik zal nooit een spuit zetten in een patiënt die mij wezenloos ligt aan te kijken.” Je zou kunnen toevoegen: ‘die, indien wilsbekwaam, dat wellicht niet zou willen.’

We lijden aan een doorgeschoten, fundamentalistische opvatting van autonomie. Vaak heerst zulk fundamentalisme vooral bij mensen die op grote afstand staan. Uit onderzoek blijkt dat 80 procent van onze burgers positief denkt over euthanasie bij vergevorderde dementie, terwijl dat maar voor 10 tot 20 procent van de artsen geldt die deze situatie persoonlijk meemaken. De publieke onderbuik lijkt nu aan het langste eind te trekken.


Internist (Amsterdam UMC)