Waarom mag je van de gps harder rijden dan van de auto?

Durf te vragen De snelheidsmeter in de auto geeft een andere snelheid aan dan de gps. Hoe kan dat?

Foto iStock

Je rijdt op een weg waar de maximumsnelheid 100 km/u is. Volgens de snelheidsmeter van je auto rij je keurig 100 km/u maar het navigatiesysteem geeft 94 km/u aan. Wie heeft gelijk?

Het komt vaak voor dat de snelheidsmeter van de auto een hogere snelheid aangeeft dan het navigatiesysteem. Het omgekeerde gebeurt zelden. „Er is vaak een afwijking naar boven van 4-10 procent”, bevestigt Jos van der Drift, auto-expert bij de ANWB, aan de telefoon. „De snelheidsmeter van de auto mag van de Europese wet nooit minder aangeven dan de werkelijke snelheid, maar wel meer. Daarom bouwen autofabrikanten een veiligheidsmarge in.”

„De auto meet de snelheid vanuit de draaias door te kijken naar het aantal omwentelingen van de wielen in een bepaalde tijd”, zegt Carlo van de Weijer, van de afdeling Smart Mobility van de TU Eindhoven. Voor die snelheidsberekening moet de auto de omtrek van het wiel kennen. Die wordt door de autofabrikant geprogrammeerd. Daardoor is de snelheid die gemeten wordt anders als je nieuwe of juist afgesleten banden hebt. Nieuwe banden zijn dikker dan gemiddeld en draaien daarom minder snel om dezelfde afstand af te leggen. Van de Weijer: „Daardoor denkt de auto met nieuwe banden dat hij langzamer gaat dan het geval is.”

Autofabrikanten corrigeren hiervoor zodat je ook als je nieuwe banden hebt nooit een lagere snelheid op je teller ziet dan je in werkelijkheid rijdt. „Daarom staat in de specificaties van een auto voorgeschreven welke wielmaten je mag gebruiken. Die hebben allemaal ongeveer dezelfde afrolomtrek”, vertelt Van der Drift. „Zet daarom nooit willekeurig wielen eronder met een andere maat. Afwijkende banden kunnen voor flinke fouten in je kilometertelling en snelheidsmeter zorgen.”

Lees ook: Hoe omzeilt TomTom de files? (2018)

Locatiebepaling

Je navigatiesysteem meet je snelheid door je locatie te bepalen aan de hand van gps-satellieten en dat bijvoorbeeld twintig seconden later weer te doen. Zo bepaalt het systeem hoeveel meter je in die twintig seconden hebt afgelegd en dus wat je snelheid is. „Je navigatiesysteem is in principe nauwkeuriger dan de snelheidsmeter in je auto”, zegt Van der Drift. „Gps bepaalt je locatie zeer precies en de meettechniek is niet afhankelijk van iets mechanisch als de ‘afrolomtrek’ van je wielen.”

Maar gps kan signaalstoringen hebben als je bijvoorbeeld in een tunnel of tussen gebouwen rijdt. „En als je met veel wisselende snelheden rijdt, dan loopt de snelheidsmeting van je navigatie een beetje achter.”

Bovendien houdt je navigatiesysteem geen rekening met hellingen, waarschuwt Van de Weijer. Als je omhoog of naar beneden rijdt, leg je meer afstand af dan de gps aangeeft en zal je navigatiesysteem dus een te lage snelheid weergeven. „Als je bij wijze van spreken recht omhoog zou rijden denkt gps dat je stilstaat.”

Waarom vallen navigatiesystemen niet onder dezelfde wet als de snelheidsmeter van de auto? „Dat komt doordat de oorspronkelijke functie plaatsbepaling is en niet snelheidsmeting”, zegt Van der Drift.

Omdat het gps-systeem vaak betrouwbaarder is dan de snelheidsmeter, gebruiken moderne auto’s de gps-snelheid om hun snelheidsmeter te valideren. Daardoor is het verschil tussen de snelheid op je dashboard en je navigatiesysteem steeds vaker minimaal. Het gas intrappen omdat je auto de snelheid onderschat, is dus riskant.