Opinie

Patroon

Marcel van Roosmalen

Het is een patroon: ik moet of ontmoet iets of iemand in Arnhem en blijf daarna bij mijn moeder slapen. De volgende dag laat ik mezelf dan ophalen door de vriendin en de kinderen zodat ze die ook nog eens ziet. Over mijn komst wordt tot in den treure getelefoneerd, maar zaterdagochtend voelde ze zich toch nog overvallen toen we elkaar in de huiskamer troffen.

„Jongen! Wat doe jij hier? Hoe ben jij binnengekomen? Voortaan wel even bellen.”

Daarna: „Omdat jij van tevoren niet belt, heb ik geen brood! Haal jij brood?”

Bij de bakker trof ik een vrouw met wie ze weleens koffiedrinkt. Ze vroeg: „Het gaat toch wel goed met haar? Ik heb toch geen begrafenis gemist?”

Ik zei dat mijn moeder nog leefde.

„Ach ja”, zei de vrouw. „Ik tref haar gewoon nooit meer. Doet u haar de groeten.”

Ik kwam achterom door de carport. In mijn hoofd stond mijn vader er weer de druivenstruik te snoeien, op een trapje met alleen een korte broek aan. Vanwege de rottende trossen krioelde het er nu van de wespen. Ik legde de broden op het aanrecht en zei dat ik het rottende fruit weg wilde knippen.

Meteen de aanval.

„Kom nou! Daar heb ik al Ronnie over gebeld! Je blijft eraf!”

Ronnie is de vroegere postbode, hij heeft nooit afscheid kunnen nemen van zijn buurt en doet klusjes.

„Je blijft eraf”, herhaalde mijn moeder. „Anders komt Ronnie voor niks. En dan?”

Ik deed de groeten van mevrouw N. en zei dat ze elkaar nooit meer zagen.

„Dan kijkt ze niet goed! Ik kom haar toch ook niet tegen? Waar bemoeit iedereen zich toch mee?”

Ze ging kreunend zitten.

„Ik ben gevallen, mijn rug is bont en blauw.”

Ze wilde haar rug niet laten zien, maar we gingen wel haar achtertuintje in. Ze kon de steen waarover ze gevallen was niet vinden.

„Deze”, zei ze uiteindelijk over een stoeptegel. „Ik heb wel een kwartier gewankeld en ben uiteindelijk toch achterover gekieperd. De huisarts zei dat het een wonder was dat ik niets gebroken heb. Het zoveelste wonder.”

Opeens waren de vriendin en de kinderen er.

Mijn moeder deed haar best de oma te zijn die ze wil zijn en stelde voor om naar het pannenkoekenhuis te gaan, waarna ze de rest van de middag vulde met het opwerpen van bezwaren die een bezoek aan een pannenkoekenhuis juist onmogelijk maakten. Als ze dan toch wat moest wilde ze eigenlijk liever koffiedrinken met mevrouw N.

„Die heb ik al lang niet gezien. Er zal toch niet iets verschrikkelijks met haar zijn?”

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.