Recensie

Recensie

Identiteit is een invloedrijke realiteit

Identiteitspolitiek Elma Drayer geeft een huiveringwekkend beeld van de opmars van de identiteitspolitiek. En sociologe Nathalie Heinich legt uit waarom identiteitspolitiek aantrekkelijk is.

Sint en Pieten beklimmen een patrouilleschip.
Sint en Pieten beklimmen een patrouilleschip. Foto Koen van Weel/ANP

In Witte schuld schetst journalist en columnist Elma Drayer hoe identiteitspolitiek het racismedebat in Nederland de afgelopen jaren is gaan beheersen. Met een uit de Verenigde Staten overgevlogen postmodern jargon en onder invloed van activistische wetenschappers als Gloria Wekker en Philomena Essed, is de antiracismebeweging in korte tijd een opvallende stem in het publieke debat geworden.

Witte schuld biedt een rijk overzicht van dit debat, met uiteraard de onvermijdelijke Zwarte Pieten-discussie als beginpunt, gevolgd door de pogingen tot taalzuivering vanuit antiracistische hoek (‘blank’ moest ‘wit’ worden, ‘slaaf’ werd ‘tot slaaf gemaakte’), de terugkerende roep om meer erkenning van het slavernijverleden en het ‘dekoloniseren’ van musea.

De grootste excessen van het antiracisme-activisme tekenen zich af in een hoofdstuk waarin Drayer laat zien hoe met name de academische wereld steeds gevoeliger blijkt voor de wens van activisten om bepaalde, vaak rechtse sprekers, van hun podia te weren. Er wordt op ideologische gronden aan curricula gesleuteld en zelfs het idee van empirische wetenschap als belangrijkste bron van objectieve kennis, komt steeds vaker ter discussie te staan.

Al met al ontstaat een nogal huiveringwekkend beeld van de grote invloed die een toch vrij kleine groep activisten in korte tijd heeft weten te verkrijgen op het gebied van onderwijs, cultuur en politiek.

Wat onderbelicht blijft is waaróm identiteitspolitiek blijkbaar zo’n aantrekkingskracht geniet. De naam Gloria Wekker komt vele malen voorbij, vaak met rare citaten uit interviews, maar haar wetenschappelijke denkbeelden, zoals onder meer gepresenteerd in haar boek Witte onschuld, worden nauwelijks inhoudelijk of methodologisch geanalyseerd. Dat lijkt mij juist enorm van belang, omdat dit werk zo’n invloedrijke inspiratiebron is voor antiracisme-activisten.

Is de roep om ‘safe spaces’ en ‘de-platforming’ louter kenmerkend voor identiteitspolitieke activisten?

Daarnaast heeft Drayer ervoor gekozen om de rechtse variant van identiteitspolitiek, zoals we die aantreffen bij de PVV en het FVD, goeddeels buiten beschouwing te laten. Een gemiste kans, want je kunt de opkomst van antiracistische identiteitspolitieke partijen als Denk en Bij1 volgens mij niet los zien van rechts-nationalistische identiteitspolitiek, die een gevestigde waarde is geworden sinds de dood van Pim Fortuyn.

Ironisch genoeg vertonen linkse, rechtse en islamitische identiteitspolitieke partijen veel overeenkomsten. De agressieve manier van campagnevoeren met de inzet van opruiende filmpjes, de vergroving van de debatcultuur in de Tweede Kamer en het voortdurende aanzwengelen – aan beide kanten – van het wij-zij-denken. Komt dat alles louter voort uit identiteitspolitiek, of zijn er andere invloeden? Welke rol speelt een sociaal medium als Twitter in het vergroten van de giftigheid in maatschappelijke debatten? En is de snelle gekwetstheid en de roep om ‘safe spaces’ en ‘de-platforming’ louter kenmerkend voor identiteitspolitieke activisten? Het zijn ook veelgenoemde kenmerken van de millennialgeneratie, zoals de Amerikaanse schrijver Bret Easton Ellis beschreef in zijn recente boek White. Niet alle excessen die Drayer benoemt, komen voort uit identiteitspolitiek an sich.

Dat er in Witte schuld niet wat dieper wordt gegraven naar zulke samenhangen of naar onderliggende verklaringen voor feiten die we allemaal wel zo’n beetje kennen, is een gemis in dit verder uitstekend geschreven overzicht van een belangrijk maatschappelijk debat.

Onwrikbaar en onveranderlijk

Met Drayers boek nog in mijn achterhoofd las ik het essay Wat onze identiteit niet is van de Franse sociologe Nathalie Heinich, vorig jaar verschenen en nu in het Nederlands vertaald. Heinich wil het te pas en te onpas gebruikte woord ‘identiteit’ verhelderen en inzicht geven in het politieke gebruik ervan (zoals ‘nationale identiteit’), zonder het te ‘bezien door de verschralende leesbril van ‘links’ of ‘rechts’.’

Lees ook het interview dat Bas Heijne vorig jaar had met Nathalie Heinich: ‘Ieder van ons is een vat vol tegenstrijdigheden’

Dít verhelderingsproces begint met de vraag of nationale identiteit een onwrikbare, onveranderlijke eigenschap is. Die opvatting zie je aan de rechterkant van het politieke spectrum vaak terug: nationale identiteit als een al eeuwenlang bestaand, rotsvast gegeven dat beschermd moet worden tegen invloeden van buitenaf. Heinich toont overtuigend aan dat nationale identiteiten wel degelijk aan verandering onderhevig zijn en dat zij bovendien niet eenduidig zijn: verschillende (groepen) mensen hebben er verschillende opvattingen over. Er is niet één verhaal.

Dat betekent echter niet dat de in linkse hoek vaak gehoorde opvatting klopt, dat nationale identiteit slechts een illusie is. Zij is een voorstelling die mensen zich vormen van wat een land is of zou moeten zijn, en daarmee wel degelijk een invloedrijke realiteit.

Op individueel niveau splitst Heinich identiteit op in drie elementen: ‘toewijzing’ (hoe men je van buitenaf ziet), ‘zelfperceptie’ (hoe je jezelf ziet) en ‘presentatie’ (hoe je jezelf aan de buitenwereld presenteert). Het samenspel tussen de drie elementen in dit model leidt tot interessante verklaringen voor maatschappelijke fenomenen. Zo moest ik denken aan het ongemak dat ontstaat wanneer de buitenwereld jou identitaire kenmerken toewijst, die niet overeenkomen met je zelfperceptie. Wanneer iemand die zichzelf altijd als ‘blank’ heeft beschouwd, ineens geacht wordt zich ‘wit’ te noemen, ontstaat er een discrepantie tussen de drie elementen van de identiteit. Dat leidt tot wrevel, want niet alleen zijn ‘toewijzing’ en ‘zelfperceptie’ met elkaar in conflict, ook ‘presentatie’ raakt beïnvloed: jezelf blijven presenteren als ‘blank’ is dan bijna een rechts-nationalistisch statement, terwijl het accepteren van ‘wit’ juist gezien kan worden als zwichten voor modieus activisme.

Het allochtoon-zijn wordt een overgepresenteerd aspect van iemands identiteit onder invloed van hoe de buitenwereld ertegenaan kijkt

Wanneer een bepaald aspect van je identiteit door de buitenwereld als zeer negatief wordt beschouwd, kan dat in ernstige gevallen – denk aan een homoseksuele man in een samenleving die homoseksuelen vervolgt – ertoe leiden dat het betreffende identiteitskenmerk voortaan verborgen wordt. Maar, schrijft Heinich, als die negatieve blik van de wereld afneemt, kan juist het omgekeerde ontstaan, waardoor de man uit het voorbeeld zich voortaan ‘overpresenteert als homoseksueel en zijn seksuele praktijk tot fundament van zijn identiteit maakt’.

Fundamentele aanpak

Ik heb het idee dat een dergelijk proces gaande is bij de identiteitspolitiek zoals die door de antiracismebeweging in Nederland wordt bedreven: het gestigmatiseerde identitaire aspect (allochtoon-zijn) leidt weliswaar niet tot vervolging, maar er zijn wel degelijk negatieve effecten. Het allochtoon-zijn wordt een overgepresenteerd aspect van iemands identiteit onder invloed van hoe de buitenwereld ertegenaan kijkt. Ik denk dat bedrijvers van identiteitspolitiek maar óók hun critici zich in die analyse zullen kunnen vinden. Maar dit zijn mijn eigen speculaties. Heinich beperkt zich in Wat onze identiteit niet is tot theorievorming en de manier waarop de sociologie volgens haar het fenomeen (nationale) identiteit het best kan bestuderen. Juist die neutrale, fundamentele aanpak leidt tot helderheid. Het speculeren op basis daarvan is aan de lezer, en dat maakt Wat onze identiteit niet is tot een plezierig, tikje taai maar uiteindelijk vooral stimulerend boek.