Opinie

Hier wachten we op het leven

Grunberg in een gesloten jeugdinrichting 12 Schrijver Arnon Grunberg leeft veertien dagen dag en nacht in de gesloten jeugdinstelling De Koppeling in Amsterdam. Hij schrijft elke dag over het leven daar. Deel 12: Alarm

Illustratie NRC

Soms willen de kinderen niet wakker worden. Er is misschien weinig om voor wakker te worden. Sommige begeleiders gooien uit wanhoop een glas water over het kind, begeleider Earvin rinkelt bij voorkeur met sleutels, hoewel orthopedagoog Sep meent dat het gerinkel met sleutels de indruk versterkt dat we in een gevangenis zitten.

Het moeilijkste vind ik het hangen. We wachten, op verlof, op sigaretten, op bezoek, als het bezoek er is wachten we tot het weer weggaat, we wachten op onze telefoon, die in een kluisje zit en die we maar een uurtje per dag mogen gebruiken en dan nog mogen we alleen nummers bellen die zijn goedgekeurd door onze begeleiders, we wachten op het leven.

De jongen die altijd met een haarborstel rondloopt omdat hij in voortdurende angst leeft dat zijn haar niet goed zit zegt: „Ze willen me kapotmaken, en dat wil die kutjeugdzorg ook.”

Madelon (16), die naar eigen zeggen model is geweest en ook professioneel heeft geschaatst, beaamt dat.

We moeten over de toekomst blijven praten, hoe beangstigend ook. Jayden (15) ziet de toekomst zo: „Ik wil gewoon thuis zitten.” Na enig aandringen zegt hij: „Ik wil douanier worden. Dan kan ik koffers vol crack openmaken.”

Hij heeft een stukje geschreven waarvan de eerste zin luidt: „Ik was met mijn vrienden in Amsterdam aan het chillen, we staken een nitraatbom af voor mijn moeders huis.”

Alles heeft een reden, maar daarover praten we niet. Laat de hulpverleners, de buitenstaanders, de lezers maar raden. Wij zijn onze geheimen.

De laatste lunch. Al heel lang zeiden de kinderen: „Je moet echt alarm veroorzaken.” Ik veroorzaak eindelijk alarm. Met vijf man komen ze binnen en willen me naar mijn kamer slepen. Ik weet dat het spel is en toch verzet alles in me zich tegen dit geweld. Ik ben weer 17, ik wil mijn school niet afmaken, ik haat iedereen die macht over mij wil uitoefenen. Ik weiger. Ik zeg nee.

De kinderen hebben een boekje voor me gemaakt voor mijn afscheid. Ik zou hen willen omhelzen maar ik durf niet.

Sep zegt: „Deze kinderen zijn strijders.” Soldaten, zouden ze misschien zelf zeggen.

Als ik niet een van hen ben, wie ben ik? Een beschadigd kind vermomd als strijder; ik kan niet anders zijn, ik wil niet anders zijn.

Wat deze kinderen me hebben geleerd is om een betere strijder te worden.

En zo niet nu, wanneer dan?

Slot.

Om privacyredenen zijn achternamen in deze serie weggelaten. Ze zijn bij de redactie bekend.