Het grote verlangen naar een toekomst zonder Trump

Amerikaanse cultuur Voor de een is Trump de verlosser, voor de ander een duivel die weg moet. Over de diepgewortelde Amerikaanse neiging met een schone lei te beginnen. Desnoods met geweld.

Los Angeles, 1967. Hippies dreven de Amerikaanse neiging te leven zonder toekomst of verleden tot het uiterste.
Los Angeles, 1967. Hippies dreven de Amerikaanse neiging te leven zonder toekomst of verleden tot het uiterste. Foto Michael Ochs Archives/Getty Images

De vrouw zei ineens: „Somebody should take him out.” Iemand zou hem moeten vermoorden. Het was op een borrel, we spraken over de verkiezingen van volgend jaar, over de kans dat Donald Trump herkozen wordt. En deze vrouw, hartelijk en gevat, hoopte van harte dat iemand de president van haar land zou vermoorden. Het leek haar de oplossing voor een probleem waarmee zij worstelt: een tweede termijn voor Trump, „een ramp voor het land”.

Ik was te verbluft om te vragen of ze niet dacht dat een politieke moord pas een ramp zou zijn.

Ze was niet de enige die er zo over dacht. Er was de winkelier die hoofdschuddend had gezegd dat Trump nooit uit zichzelf het Witte Huis zou verlaten en hij dus wel moet worden vermoord. Er was de bankiersvrouw die geschokt was dat een vriendin van haar Trump bleek te steunen. Ze leek haar tranen weg te slikken: „We krijgen hem alleen weg door hem te doden.”

Amerikanen en hun snelle oplossingen. Van de 45 presidenten die dit land heeft gekend, zijn er vier vermoord. Wat hadden hun moordenaars in hemelsnaam verwacht te bereiken?

„In deze stad kan het allemaal zó ineens veranderen.” Een sleutelzin uit Once Upon a Time… in Hollywood, de jongste film van Quentin Tarantino – met aan het slot een twist die hier verraden moet worden. Ja, het is ook een film over de filmwereld, vol weemoed over een vergaan tijdperk van zwijgende, gewelddadige mannen. Het is een ode aan Los Angeles anno 1969, epicentrum van de consumptiecultuur. Maar het is vooral de derde van de vier laatste films van Tarantino waarin hij de lei van de geschiedenis uitwist. Met geweld. En daarna is alles weer goed.

Na de Jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog en de slavernij in de VS met staal en vuur te hebben rechtgezet in respectievelijk Inglourious Basterds en Django Unchained, herstelt Tarantino hier de moord op actrice Sharon Tate en enkele van haar vrienden in haar huis in Beverly Hills, door volgelingen van hippiegoeroe Charles Manson. De gruweldaad in de nacht van 8 op 9 augustus 1969 wordt wel omschreven als „het einde van de jaren zestig” – waarmee dan bedoeld wordt het eind van de bloemenkinderenfantasie van allemaal lief zijn voor elkaar. Het eind van de onschuld.

In Once Upon a Time… in Hollywood dringen de hippies van Manson het huis náást dat van Tate binnen. Daar hebben ze de pech dat ze niet op een slapjanus als Tates echtgenoot Roman Polanski stuiten, maar op twee bijna-relikwieën uit de filmwereld van de jaren vijftig. Amerikanen die in hetzelfde vuur zijn gesmeed als John Wayne en Gary Cooper. Ze leren de hippies – „the fucking hippies” – een lesje, en daarmee is de werkelijkheid gewist en vervangen door een filmeinde, een happy end.

Je kunt alles achter je laten. Hoe verder je komt, des te gemakkelijker het wordt

Don Draper in Mad men

De Amerikaanse Elckerlijc

Als het een cliché is om de Verenigde Staten te beschouwen als het land van de schone lei, van een nieuw begin en de vervulling tegelijk, dan hebben de Amerikanen zelf flink hun best gedaan om dat cliché levend te houden. De Amerikaanse Elckerlijc is Don Draper, hoofdpersoon van tv-serie Mad Men, die zeven seizoenen voor zijn verleden en zijn fouten uitholt, en al mediterend eindigt in, jawel, een hippiekolonie in Californië in 1970. Zijn ultieme advies in de laatste aflevering: „Je kunt alles achter je laten. Hoe verder je komt, des te gemakkelijker het wordt.”

Zo hebben de immigranten in hun collectieve geheugen het continent van hun verleden achter zich gelaten, de volkerenmoord waarmee ze zich hun nieuwe land eigen maakten, de slavernij waar een goed deel van hun economie op draaide, de structurele ongelijkheid die daaruit voortkwam. Ze zijn verder gekomen, het is gemakkelijker geworden.

Er ligt een meedogenloos vooruitgangsgeloof aan deze mentaliteit ten grondslag. In de preambule van de Grondwet is het als een opdracht vastgelegd: „To form a more perfect union”, om een nog volmaaktere unie te vormen. Voor wie het volmaakte verder moet vervolmaken, zijn fouten uit het verleden alleen maar ballast. Bezie het geworstel van Joe Biden als Democratische presidentskandidaat: elke stap die hij zet wordt bezwaard door zijn oude stemgedrag. Zijn verleden maakt hem kwetsbaar.

Dus moet je er over liegen, zoals Don Draper doet. Of Joe Biden. Of Donald Trump. Dan moet je leven in een permanent heden, waarin het verleden „maar één centimeter dik is”, zoals de recensent van The New Yorker schreef over Tarantino’s laatste „draai aan de geschiedenis”. In een tweet uit 2013, ver voor zijn presidentschap, doceert Trump: „Ik probeer te leren van het verleden, maar ik bereid me op de toekomst voor door mij uitsluitend op het heden te concentreren.”

Lees ook: Onwetendheid levert onder Trump meer op dan kennis

Met het volmaakte Amerikaanse heden loopt altijd een tomeloos verlangen naar een nog volmaakter verleden mee. Alle twee de romantische aandoeningen vind je bij zowel Democraten als Republikeinen. Voor die laatste is Trump de man die alles goed zal maken. Zoals hij voor de hartelijke vrouw op de borrel de man is die dood moet om alles goed te maken. Zij voelde zich getroost door Tarantino’s film. „Het kan altijd anders worden”, zei ze, alsof de film niet over het verleden maar over een nabije toekomst ging.

De slang en zijn huid

„Volwassenen trokken van stad naar verscheurde stad, waarbij ze zowel hun verleden als de toekomst afschudden zoals een slang zijn huid aflegt.” Twee jaar vóór de slachtpartij bij Sharon Tate ging Joan Didion naar San Francisco om met eigen ogen te zien wie die hippies waren. Didion (1934) vond er het amalgaam van persoonlijke en journalistieke essayistiek zo ongeveer uit.

Ze ging „in de koude late lente van 1967” naar Californië, precies op het moment dat de hippiebeweging werd vereeuwigd in de zoele hitsingle San Francisco van Scott McKenzie. Wie naar San Francisco kwam, zong hij, zou daar „zachte mensen” ontmoeten, „met bloemen in hun haar”, op weg naar een „love-in” in de zomer. Er zouden die zomer zo’n 100.000 hippies neerstrijken in de buurt Haight-Ashbury.

Wat Didion daar zag, en beschreef in Slouching towards Bethlehem (in 1968 verschenen), heeft weinig met zachtheid te maken, maar alles met een verschroeiend egocentrisme en een permanente staat van vergetelheid. Het ging over vermiste kinderen en vermiste ouders. Over mensen die al hun schepen achter zich hadden verbrand om naar San Francisco te gaan. Het ging er niet over bloemen maar over drugs: hasj, acid, STP, LSD. Didion komt in een huis waar een meisje van vijf een stripboekje leest. Ze draagt witte lippenstift en is stoned van de acid die ze van haar moeder heeft gekregen. (In de documentaire die haar neef in 2017 over haar maakte, The Center Will Not Hold, maakt Didion weidse gebaren als haar neef vraagt hoe ze het vond, dat meisje met haar acid? „Hoe zal ik het zeggen? Het was… het was… goud! Daar leef je voor als je zo’n stuk schrijft.” Didion wordt „genadeloos eerlijk” genoemd.)

Achter de tienduizenden gedrogeerde jongens en meisjes, die volgens Didion zelden meer zeiden dan „groovy” of „out of sight”, ging een harde kern van revolutionairen schuil die pamfletten uitdeelde met kreten als: „In augustus zal Haight Street veranderen in een kerkhof”.

In verschillende Amerikaanse recensies van Once Upon a Time… in Hollywood werd Joan Didion aangehaald. Bijna steeds om te onderstrepen dat zij de „bad vibes” van de hippiebeweging als eerste had aangevoeld, dat zij de Manson-moorden zowat had voorspeld. In 1969 woonde zij met man en dochtertje in Los Angeles. De buurt stond strak van de zenuwen, schrijft ze in The White Album (1979). „De kriebels kropen op. Ik herinner me een tijd waarin de honden elke nacht blaften en de maan altijd vol was.” Ze beschrijft de negende augustus, toen het nieuws over de moord op Tate en haar vrienden als telefonisch strovuur door de stad ging. „Ik herinner me nog heel goed alle kletsverhalen van die dag, ik herinner me ook nog, en ik wou dat ik het me niet herinnerde, dat niemand verbaasd was.”

Mij viel op dat Didion het leven zonder verleden en zonder toekomst ook aan niet-hippies toeschrijft. Aan „de meisjes voor wie de belofte van het leven neerkomt op een witte trouwjurk op danslengte, de geboorte van een Kimberly of een Sherry of een Debbi, dan een echtscheiding in Tijuana en terug naar de kappersschool. ‘We waren gewoon maffe kinderen’, zeggen ze zonder spijt, en ze kijken naar de toekomst. De toekomst ziet er altijd goed uit in het gouden land, omdat niemand zich het verleden herinnert.”

Een spiegeling van de filmtruc

Wat ook opvalt, is hoe de revolte van de jaren zestig zich voltrok in wat Didion omschrijft als „een land dat niet onder vuur van de vijand lag. Dit was de Verenigde Staten van Amerika in de koude late lente van 1967, en de economie was stabiel, het bruto nationaal product hoog en heel veel welbespraakte mensen hadden een gevoel van een hoger maatschappelijk doel, het had de lente kunnen zijn van dappere hoop, van een nationale belofte, maar dat was het niet, en meer en meer mensen kregen het ongemakkelijke gevoel dat het dat niet was.”

Vijftig jaar na de moordpartij in het huis van Sharon Tate is de Amerikaanse economie betrekkelijk stabiel, het bruto nationaal product hoog en hopen sommige welbespraakte mensen dat de president zal worden vermoord. Het is een spiegeling van de filmtruc uit Once Upon a Time… in Hollywood. Wis het verleden uit en begin opnieuw, zonder de last ervan.

Een twitteraar achter het pseudoniem @shebear1950 schreef op 2 september: „Ooit zal Quentin Tarantino een film maken over de rampzalige regering-Trump. Die zal veel wapens en bloederige scènes bevatten.”

President Trump schetste de staat van de VS als een „bloedbad” bij zijn inauguratie. In zijn campagne had Trump de nervositeit van Joan Didions jaren zestig in het politieke debat van de late jaren tien geïnjecteerd. De FBI-statistieken laten zien dat het aantal gewelddadige misdrijven en moorden tot 2016 elk jaar relatief lager werd. In het verkiezingsjaar keerde die trend ineens. Trump presenteert zichzelf voor zijn aanhang als de verlosser, zijn tegenstanders zien hem als de baarlijke duivel en zoeken hun eigen verlosser – zoals in westerns de goede revolverheld, zijn verleden even zorgvuldig in nevelen gehuld als zijn toekomst, alleen maar de slechte revolverheld hoeft neer te schieten. Je kunt alles achter je laten.

Eind augustus presenteerde USA Today, de meest kleurloze Amerikaanse krant, een peiling onder duizend representatieve kiezers. Een van de vragen: „Wat is het eerste woord dat spontaan in u opkomt als u aan de verkiezingen van 2020 denkt?” De meest genoemde woorden kwamen allemaal op hetzelfde neer. Angst.

En ik vraag me af wat ze het meest vrezen, hun president, zijn tegenstanders of zichzelf?