Recensie

Recensie Boeken

Donatien is een schepping van zichzelf

Martin Michael Driessen De 18e-eeuwse Donatien rooft en moordt, en jubelt daar bevlogen over. Staat dat verhaal ergens voor?

Illustratie Paul van der Steen

Een nieuw boekenseizoen houdt sinds enkele jaren ook in: een nieuwe Martin Michael Driessen. Want waar de schrijver het in het begin van zijn schrijversloopbaan kalm aan deed (hij debuteerde als veertiger en liet vervolgens twaalf jaar verstrijken tot zijn tweede boek), daar rolt nu de ene na de andere titel uit zijn vingers; sinds 2015 kwam er elk jaar een aanzienlijke Driessen bij. Titels die, het mag wat simpel klinken, zo veel fictiever zijn dan die van veel collega-auteurs. Niet alleen zijn de romans en verhalen vaak ver weg en in het (verre) verleden gesitueerd, je hebt er vaak nog een kluif aan om ze in het heden, in je 21ste eeuwse geest, te activeren.

Een Driessen-boek ‘werkt’ niet zoals, om maar een andere titel te noemen, Marente de Moors Roundhay, tuinscène, dat deed, namelijk door een historische setting met historische verwikkelingen op te roepen om je zo aan het nadenken te krijgen over het heden. Driessen staat voor fictie, voor echte fictie, voor iets nieuws, voor iets wat ook nieuw blijft. Toen hij een jaar geleden voor deze krant werd geïnterviewd sprak hij zijn standpunt uit: „Als klein jochie al wilde ik kunstenaar worden, om werelden te kunnen scheppen zoals ik het wilde, werelden die beter waren dan de echte wereld. Mijn leven lang ben ik daarmee bezig. Die behoefte is een sterke aandrift. Misschien komt het voort uit levensangst, waardoor je iets helemaal wilt kunnen beheersen. En als je zo onzeker bent, dan moet je natuurlijk God worden, want pas dan kun je alles zo maken als jij het hebben wilt.”

Het ik-tijdperk

Is De heilige, Driessens nieuwste, zo’n ‘betere’ wereld? Dat ligt er maar aan hoe je dat opvat. De ‘schelmenroman’, want dat etiket draagt de vertelling, is vaak beter in de zin van boeiend, boeiender dan veel van wat je in de wereld van alledag op je afkomt: het is spannend, divers en wild.

Ze doen maar wat, hopend op voorspoed en nog niet in de wielen gereden door een strenge, controlerende overheid of de tentakels van de techniek

In moreel opzicht is hij zeker níét beter: verteller Donatien rooft en steelt, moordt, liegt en bedriegt. Tot op zekere hoogte kun je hem zien als een schepping van zichzelf. Hij verandert zijn naam, draagt soms een Venetiaans masker en fabuleert er hier en daar wat bij om beter voor de dag te komen. Driessen heeft het gedrag van Donatien, die geboren is in het jaar van de Franse revolutie en rondwaart op het Europese en Zuid-Amerikaanse continent, op een bewonderenswaardige manier in de tijd ingebed. Het ik-tijdperk is aangebroken, het ik dat zijn rechten opeist en een stuk minder gedachten besteedt aan wat je met die egoïstische kruistocht bij anderen aanricht. ‘Een ego als het mijne – voor andere ego’s kan ik niet spreken – is een soort Moloch die steeds weer nieuwe offers verlangt, en het is een jaloerse god.’ Op een bevlogen jubeltoon bewandelt hij zijn opportunistische pad, het even makkelijk aanleggend met rouwende weduwen

(die later toch geen weduwe blijken te zijn) als met latente homoseksuelen, en zijn hand niet omdraaiend voor zowel het in de knieën schieten van overvallen edellieden als voor het assisteren van erop los experimenterende wetenschappers (‘Mijn opgave was zo hard te lopen dat het vlaggetje slap hing, wat betekende dat mijn snelheid precies gelijk was aan die van de wind.’).

Zelfzuchtige praatjesmaker

De heilige is een roman over fictie, over een tijd waarin het toepassen van de verbeelding – hoe nadelig het voor anderen ook uitpakte – een veel, maar echt véél grotere factor speelde in het menselijke bewustzijn. Ze doen maar wat, hopend op voorspoed en nog niet in de wielen gereden door een strenge, controlerende overheid of de tentakels van de techniek. Je kwam ermee weg, want niemand wist hoe het in elkaar stak, hoe het moest of wie je was.

Lees ook: De auteur neemt afstand van zijn verhaal

Dat Driessen de schelm Donatien ook maar een zelfzuchtige praatjesmaker vindt, komt tot uitdrukking in een subtiele en geestige ironische penvoering, waarbij het venijn op zinsniveau veelal in de staart zit. ‘Het was een glorieus jaar, waarin zowel op het Congres van Wenen als in Säckingen grootse plannen voor de toekomst werden gesmeed; ik was van plan een tweede banketbakkerij in Schaffhausen te beginnen, en wilde de chocoladespecialiteiten voortaan uit Zwitserland importeren in plaats van ze zelf te produceren want de Zwitsers waren daar nu eenmaal beter in en bovendien kon ik dan twee mensen ontslaan, wat mijn eigen inkomsten ten goede zou komen.’ Tot ‘bovendien’ is alles koek en ei, is Donatien een voorbeeldige ondernemer.

Gaandeweg trad bij mij echter een vergelijkbaar effect op als bij lezing van Mijn eerste moord en andere verhalen, Driessens vorig jaar verschenen bundeling verhalen: ik wist niet goed wat ik nog las, behálve een verhaal. Dat de klad erin raakt is wat grof gesteld, maar dat er een bepaalde dimensionaliteit uit het proza verdwijnt is zeker. Het voelt dan alsof Driessen maar doorstapelt, dat hij zijn Donatien laat zwerven en schmieren zonder dat er nog iets anders (mee) aan bod komt, zeg maar de reden waarom je überhaupt literatuur leest. Die romaneske wereld mag dan helemaal des Driessens zijn, helemaal zijn wereld, wie weet een ideale wereld die beter is dan de realiteit, volledig onderschrijft de lezer die overtuiging niet altijd.