Opinie

Bij incidenten rond salafisme wordt te makkelijk aan grondrechten voorbij gegaan

Rechtsstaat

Commentaar

Wat te denken van de invloed van het sektarische salafisme op het islamitische onderwijs aan kinderen? De vraag dringt zich op na de publicaties van NRC en Nieuwsuur en de eenstemmig politiek veroordelende reacties. Ongeveer 10 procent van de moskeeorganisaties in Nederland kent salafistische invloeden. Zowel in het islamitische basisonderwijs van deze groep als in hun vrijwillige ‘catechisatie’ worden onverdraagzame, hatelijke en abjecte denkbeelden overgebracht. De strekking is diepe afkeer van wie anders denkt, gelooft of geen hetero is. Dit alles in een autoritair religieus denk- en gedragskader dat wortelt in afkeer van seksualiteit, wantrouwen tegenover het andere geslacht, niet-moslims en ‘Nederland’ in het algemeen, waar men ook liever niet wil zijn. Binnen de moslimwereld wordt deze groep als problematisch ervaren en dit onderwijs afgewezen.

Honderden, mogelijk duizend kinderen zijn hiervan desalniettemin ontvanger. Geen heel groot aantal, maar wel te veel. In de politieke reacties vielen termen als gevaarlijk, onacceptabel, ondermijnend, funest en ‘betonrot’. Maar vooral ook ‘niet in overeenstemming met de Nederlandse waarden’ dan wel met de democratische rechtsstaat.

Bij ieder incident rond het salafisme klinkt de roep om ‘ingrijpen’, waarbij makkelijk aan burgerrechten voorbij wordt gegaan. Destijds zei minister Grapperhaus (CDA, justitie) bijvoorbeeld dat hij van de ‘straffeloosheid van dit soort uitlatingen af wil’. Het betrof toen de radicale imam Fawaz Jneid. Opvattingen die ‘de samenleving bedreigen moeten ophouden’, oordeelde hij toen eenvoudig.

Deze keer waren Dijkhoff (VVD) en Segers (CU) in Nieuwsuur aan zet. Zij stelden meteen het zwaarste middel voor: strafrecht. Is er in deze lessen sprake van strafbaar haatzaaien onder kinderen of van oproepen tot geweld? Beter in proportie was hun idee om de onderwijsinspectie of jeugdzorg op pad te sturen. Moet dergelijk onderwijs niet verboden worden, dan wel van financiering afgesneden? Zijn deze kinderen thuis wel veilig? Deze vragen zijn relevant. Hier lijken immers grenzen te worden overschreden – in ieder geval morele en menselijke. Mogelijk wettelijke. Of de Nederlandse samenleving door dit onderwijs overigens op gelijke voet ernstig ondermijnd wordt als door de onlangs verboden motorclubs, is een open vraag.

De afkeerretoriek slaat makkelijk door. Segers bepleitte een onderscheid door de overheid tussen ‘vrijheidslievende religies’ die toelaatbaar zijn. En religies die daar kennelijk niet aan voldoen, zoals het salafisme. Het ging hem aan het hart, ‘als liefhebber van religies’, dit pleidooi voor staatsgoedkeuring van religies. Maar hij zei het toch maar. Het denken van VVD-fractieleider Dijkhoff bleek even overzichtelijk. Vrijheid is volgens hem een kwestie van wederkerigheid. Wie daar kennelijk misbruik van maakt, heeft er ook geen recht op. Alle vrijheid is daarmee voorwaardelijk, dus pas na goedkeuring, wat hem betreft. Dit valt allemaal in de categorie makkelijk praten. Onaangename denkbeelden, religies of verenigingen die niet in ‘ons’ referentiekader vallen, moeten verdwijnen, bestraft, verboden of teruggedrongen, met hulp van het gezag. Wetgeving als toverdoos.

Nu zijn de denkbeelden die de salafistische catechisatie uitdraagt inderdaad verwerpelijk. Ouders die hun kinderen ernaar toe sturen moeten zich schamen. Zeker, het welzijn van deze kinderen behoeft aandacht. Maar het gemak waarmee politici de vrijheid van religie, van onderwijs, van gelijke behandeling, van meningsuiting en van vereniging en vergadering hiervoor willen beperken is adembenemend. Grondrechten zijn fundamentele, onaantastbare rechtsnormen die iedere burger in een rechtsstaat per definitie toekomen. Ze zijn niet absoluut, maar wel moeilijk in te perken. Dat vraagt om bestuurders en politici die het universele karakter ervan erkennen, zelfbeheersing tonen en ze willen waarborgen, voor iedereen, ook als het stormt.

De grondrechten vormen bovendien de kern van de democratische rechtsstaat. En bepalen daarmee ook de (pluriforme) identiteit van dit land, die zij wensen te beschermen. Opvattingen die kwetsen, schokken of verontrusten zijn expliciet door de rechter beschermd. Juist om te voorkomen dat alleen ‘correcte’ opvattingen nog maar worden gehoord. En we eindigen in een samenleving waarin VVD en ChristenUnie de vrijheden naar eigen goeddunken toedelen of inperken. De vrijheid om er andere denkbeelden op na te houden dan de regeringspartijen van dienst moet dus behouden blijven. Ook als het onaangename zijn, of verwerpelijke.