‘Alzheimer-app vermindert onzekerheid’

neuropsychologie Door biomarkers te meten, kan beter worden voorspeld hoe de ziekte van Alzheimer zal verlopen, zegt Wiesje van der Flier.

Wiesje van der Flier is hoofd onderzoek van het Alzheimercentrum.
Wiesje van der Flier is hoofd onderzoek van het Alzheimercentrum. Foto Merlijn Doomernik

Je bent een vrouw van 62 en je maakt je zorgen over je geheugen. De mensen om je heen maken zich ook zorgen, misschien wel meer dan jij. Ze horen dat je te vaak niet op namen kunt komen en je alleen met grote moeite kunt herinneren bij wie je eergisteren op bezoek was. Ze merken dat je de knoppen van de televisie niet goed meer snapt en je afspraak met de tandarts alwéér bent vergeten.

Je gaat naar de huisarts en die verwijst je door naar een van de tachtig geheugenpoli’s in Nederland. Daar wordt met een neuropsychologische test vastgesteld dat je inderdaad een milde cognitieve stoornis hebt, ofwel MCI, mild cognitive impairment. Niet gewoon een geheugenklacht, nee, echt een stoornis, objectief vastgesteld. Het is geen dementie, maar dat kan het wel worden. Je zit bij de neuroloog of de geriater en je wilt weten: hoe groot is de komende jaren mijn kans daarop?

„Tot voor kort”, zegt Wiesje van der Flier, „was het meest concrete dat artsen konden zeggen: vijftig procent. De helft van de mensen met milde geheugenstoornissen zit op het pad dat naar alzheimer of een andere vorm van dementie leidt.” En de andere helft? „Die had geheugenproblemen door overbelasting of somberheid of een andere aandoening van voorbijgaande aard.”

Wiesje van der Flier (44) is neuropsycholoog, hoogleraar en hoofd onderzoek van Alzheimercentrum Amsterdam in Amsterdam UMC. In principe is ze, als een echte wetenschapper, vooral geïnteresseerd in groepen patiënten. Honderd mensen met de voor alzheimer typische eiwitplaques in hun hoofd volgen en vergelijken met honderd mensen zonder die plaques, en hoeveel hebben er na drie jaar dementie ontwikkeld – dat werk. Nuttig en noodzakelijk, maar de individuele patiënt heeft er weinig aan. „En die vijftig procent kans”, zegt ze, „ís geen vijftig procent kans, want op individueel niveau is het ja of nee.” Je schiet er als die vrouw van 62 met MCI dus eigenlijk niets mee op. Daarom raden veel artsen hun patiënten af om meer onderzoek te laten doen, of sowieso om onderzoek te laten doen. De onzekerheid wordt er toch niet door weggenomen.

Biomarkergegevens

Maar vanaf vandaag is dat anders, want Wiesje van der Flier heeft met een groep Europese en Amerikaanse onderzoekers een rekenmodel ontwikkeld waarmee bij mensen met milde cognitieve stoornissen hun individuele kans op dementie wél kan worden vastgesteld. De onderzoekers, met Wiesje van der Flier als leider, hebben daarvoor de kenmerken van 2.611 patiënten met MCI gecombineerd met metingen aan hun lichaam, hun biomarkergegevens. Met een MRI-scan is gekeken of hun hersenen gekrompen zijn en hoe sterk. Met een ruggenprik is vastgesteld of er bepaalde eiwitten (amyloïd en tau) in hun hersenvocht aanwezig zijn en hoeveel.

Het rekenmodel en de onderliggende studie is vrijdagavond gepubliceerd in The Lancet Neurology. Er is ook een app gemaakt, Adappt, waarvan academisch geïnteresseerde artsen van geheugenpoli’s gebruik kunnen maken voor de patiënt die tegenover hen zit. Dat ‘academisch geïnteresseerd’ is een voorwaarde zolang de app nog niet is gecertificeerd door Europese en Amerikaanse toezichthouders. De status is nog experimenteel. De klinische toepasbaarheid zal zich in de praktijk moeten bewijzen.

„Het begon ermee”, zegt Wiesje van der Flier terwijl ze de app opent op het beeldscherm van haar computer, „dat ik dacht: wat hebben we de afgelopen jaren echt bereikt in het alzheimeronderzoek? We hebben nog steeds geen medicijn, maar we kunnen nu wel de alzheimerschade in levende mensen meten, niet pas na hun dood. We weten nu ook dat de ziekte bij mensen met alzheimer zeker twintig jaar eerder is begonnen. Ze merkten er niets van, maar op een MRI-scan of in het hersenvocht is er al wel schade te zien. Met die nieuwe kennis wilde ik een instrument ontwikkelen waarmee we in het stadium van de milde cognitieve stoornissen” – ze tikt ‘vrouw’ en ‘62’ in – „kunnen zien wat die in combinatie met de biomarkers te betekenen hebben.”

Ze vult de score op de neurocognitieve test in (MMSE=26), maar nog niet de gegevens van de biomarkers, en laat de app rekenen. De waarschijnlijkheid dat deze vrouw van 62 in een jaar dementie ontwikkelt is 11 procent. In drie jaar: 39 procent. In vijf jaar: 57 procent. Nu vult Wiesje van der Flier, net als in het Lancet-artikel, de waarden van de biomarkers in, allemaal abnormaal, en hup, daar schieten de percentages omhoog naar 40 in een jaar, 88 in drie jaar en 97 in vijf jaar.

Willen patiënten zoiets weten, als er toch geen behandeling mogelijk is? „In toenemende mate wel, ja”, zegt Wiesje van der Flier. „Duidelijkheid kan beter te verdragen zijn dan onzekerheid. En als het niet voor de patiënt zelf is, dan wel voor de familie of de partner. Je snapt waar de problemen thuis vandaan kwamen. Je kunt je voorbereiden op de toekomst, zorg gaan regelen, misschien een plaats in het verpleeghuis.” Of gaan nadenken over een euthanasieverklaring? „Dat vind ik wel een heel grote stap. Patiënten willen ook weten hoe lang ze nog kunnen autorijden of lid kunnen blijven van het zangkoor.”

Kans op dementie

Bij de app zit een ‘gespreksstarter’ – te vinden op alzheimercentrum.nl – die artsen en patiënten kunnen gebruiken om met elkaar te praten over het diagnostische onderzoek en de resultaten. Er is ook een uitslagpagina die geprint kan worden en meegegeven aan patiënten: dit is bij u gevonden en dit betekent het. „Je kunt erover van mening verschillen”, zegt Wiesje van der Flier, „of je het moet willen weten als je een kans op dementie van 70 procent hebt, maar je moet van goeden huize komen” – ze tikt ‘man’ en ‘62’ in en ‘MMSE=29’ – „om de andere kant van het verhaal te negeren. Want bij deze man zijn de percentages zonder biomarkergegevens” – ze laat de app weer rekenen – „7 procent in een jaar, 26 procent in drie jaar en 40 procent in vijf jaar. Maar met de biomarkergegevens” – ze vult normale waarden in – „is de kans op dementie in een jaar 1 procent, in drie jaar 5 procent en in vijf jaar 8 procent. Dat is nogal een verschil met vijftig procent. In de geruststelling zit misschien wel de grootste meerwaarde.”

Met alleen amyloïdplaques in de hersenen, zegt Wiesje van der Flier, is er nog geen sprake van alzheimer. Daarvoor moeten er ook de voor alzheimer kenmerkende taukluwens gevonden worden. Amyloïd + tau = alzheimer. Wat het ingewikkeld maakt: die amyloïdplaques kunnen ook in de hersenen van cognitief gezonde mensen zitten. Amyloïd hóéft niet tot alzheimer te leiden. „Maar als je weet dat de ziekte voor het dementiestadium al twintig jaar bezig is en dat we amyloïd en tau pas sinds 2000 kunnen zien in het hersenvocht, dan zou het zo kunnen zijn dat mensen met amyloïd altijd dementie ontwikkelen, als ze maar lang genoeg leven.” Het kan ook zijn, zegt ze, dat er mensen zijn die door hun genetische aanleg beschermd zijn tegen het negatieve effect van amyloïdplaques in de hersenen en er niet dement van worden. Of dat het nog weer anders zit. „We weten het gewoon nog niet.”

En bescherming tegen dementie door leefstijl? „Daar komt steeds meer bewijs voor. Als je in staat zou zijn om alle leefstijlfactoren aan te pakken en te elimineren, dan zou je tot wel dertig procent van alle dementie kunnen voorkomen.” Dat betekent: niemand meer te dik, niemand een depressie of suikerziekte of een hoge bloeddruk, niemand meer roken of overmatig drinken, iedereen genoeg bewegen en een hoge opleiding. Wiesje van der Flier moet er zelf ook een beetje om lachen. „Fantastisch natuurlijk, moeten we zeker op inzetten, maar dan nog kun je er zeventig procent niet mee voorkomen.”

Dus blijft ze op zoek naar de oorzaken van amyloïdplaques en taukluwens in de hersenen, en hoopt ze dat er over niet al te lange tijd medicijnen gevonden zullen worden. „Als die er zijn”, zegt ze, „dan zullen ze waarschijnlijk het beste werken bij mensen met een gezonde leefstijl. Leefstijl en medicijnen zullen elkaar versterken.” Verder lijkt het erop, zegt ze, dat een aanpassing van de leefstijl vooral werkt bij mensen met een hoog risico op dementie. Wat ze ook belangrijke vraag vindt: of een gezondere leefstijl helpt bij mensen die al amyloïdplaques in hun hersenen hebben. „Als dat zo is, kun je zelf wat doen om het dementiestadium uit te stellen.”