Opinie

‘Quick and dirty’, dat geldt voor dit hogeronderwijsbeleid

Onderwijsblog Minister Ingrid van Engelshoven geeft zelf toe dat haar eigen beleid op de lange termijn tijdrovend en duur is, schrijft hoogleraar Josef Früchtl.

Foto Bas Czerwinski/ANP

„Het moest even quick and dirty.” Dat is het antwoord van minister Ingrid van Engelshoven (Onderwijs, D66) in een interview in NRC, op de vraag waarom ze het omstreden advies van de commissie-Van Rijn heeft overgenomen zonder dat hierover is gedebatteerd. Deze commissie had voorgesteld om een groter deel van het budget voor hoger onderwijs aan de natuur- en technische wetenschappen te geven. Een simplistische oplossing voor de vraag vanuit de arbeidsmarkt naar studenten in deze disciplines.

Lees ook: ‘Ik ben hier niet om een vriendelijke vrouw te zijn’

Laten we even voorbijgaan aan het feit dat er óók een enorme vraag is naar leraren en medisch personeel. En laten we ook voorbijgaan aan het gegeven dat we zowel in de wetenschap als in de democratie gewend zijn debatten te voeren in plaats van ons te verschuilen achter commissies. Hun uitspraken zijn immers niet gelijk aan het hoge woord van de paus.

Opmerkelijk is vooral haar woordkeuze: de Engelse uitdrukking ‘quick and dirty’ wordt gebruikt voor problemen die snel opgelost moeten worden. De oplossing is dan zeker niet precies, je moet er zelfs rekening mee houden dat het op de langere termijn misgaat. Vooral vanwege het gevaar dat de oplossing uiteindelijk duurder wordt. In de economie is de uitdrukking overgenomen en daar is men zich bewust van de risico’s van quick-and-dirty-acties: zit er een fout in het systeem, bijvoorbeeld in software, dan neemt de reparatie na zo’n actie meer geld en tijd in beslag. Zo kun je in een vicieuze cirkel belanden. Het lijkt dus uiteindelijk beter om kwaliteit en betrouwbaarheid boven snelheid te verkiezen.

Lees ook: Brandbrief aan de minister van onderwijs

Muggenziften

Kijk je naar het hogeronderwijsbeleid van de afgelopen twee jaar, dan is het verontrustend hoe quick and dirty het eraan toegaat. De minister ziet weliswaar de onwenselijke prikkels van efficiëntie, concurrentie en competitie in het systeem, maar haar oplossingen zijn druppels op een gloeiende plaat. Een paar euro hier, een paar euro daar.

Ze claimt met verongelijkte trots dat het kabinet in 2019 meer dan 570 miljoen heeft geïnvesteerd in het hoger onderwijs, waar het wetenschappelijk onderwijs deel van uitmaakt. Deze ´investeringen’ zijn echter vaak bestemd voor een specifiek doel: dertig miljoen voor de deelname aan een reuzentelescoop bijvoorbeeld en nog eens dertig miljoen voor andere infrastructuur. Er gaat ook veel geld naar de Nationale Wetenschapsagenda, waar wetenschappers aanvragen kunnen doen voor onderzoeksgelden. Een agenda dus die de competitie, de concurrentie en de werkdruk onder de wetenschappers verhoogt. Via deze agenda is er uiteindelijk rond de zestig miljoen euro terechtgekomen bij zeventien projecten, uit driehonderd geselecteerd. Zo ziet de efficiëntie van het Haagse hogeronderwijsbeleid er feitelijk uit.

Als de minister in het interview herinnerd wordt aan de berekening van universiteiten dat het bedrag dat zij per student ontvangen sinds 2000 is gedaald met 5.000 euro, heeft ze het over „muggenziften”. Terwijl er intussen bijna zeventig procent meer studenten zijn, wat op de universiteiten drukt. Over de doelmatigheidskorting, waardoor het hoger onderwijs met dertien miljoen euro wordt gekort, en de lumpsumkorting (twaalf miljoen euro korting) rept ze met geen woord. Het investeringstekort is opgelopen tot ruim een miljard, maar cijfers vindt de minister „niet zo interessant”.

Huiswerk

Ik stel me even voor dat ik een aanvraag bij Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) indien voor een project met promovendi, en om enkele honderdduizenden euro’s vraag. Maar weiger om dat bedrag concreet te maken. Terecht zou NWO dit belachelijk vinden en tegen mij zeggen dat ik mijn huiswerk moet doen.

De minister doet haar huiswerk niet. Met haar uitspraken bewijst ze incompetent te zijn. Eigenlijk zou ze moeten zeggen: „Ik weet van niets en dus doe ik nu dit maar, en de volgende keer weer wat anders.” Kortom, ze heeft geen visie. De resterende vraag is: waarom gaat ze dan de politiek in?

Josef Früchtl is hoogleraar filosofie van kunst en cultuur aan de Universiteit van Amsterdam.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.