Niet de dieren en planten, maar de stadsecologen zélf in beeld

Stadsnatuur Een expositie in het Natuurhistorisch Museum Rotterdam met beelden van Judith Tielemans laat het werk van stadsecologen zien. „Hier lopen we erg achter. Rotterdam heeft in wezen geen natuurbeleid.”

André de Baerdemaeker in het Vroesenpark met prooivogelveren Foto Judith Tielemans
André de Baerdemaeker in het Vroesenpark met prooivogelveren Foto Judith Tielemans

Een man met woest grijs haar houdt een sliert bijna even wild wier omhoog, een blonde jongen met paardenstaart staat op een dakakker gebogen over potjes insecten, iemand loopt geconcentreerd met een schepnet aan de waterkant; in een expositieruimte van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam ben je vanaf zaterdag omringd door portretten van de stadsecologen van Bureau Stadsnatuur, een onderzoeksafdeling van het museum dat ook werk in opdracht doet.

Niet de dieren en planten die ze onderzoeken, maar zij zelf zijn nu eens in beeld. Maar wat doet een gemiddelde stadsecoloog eigenlijk de hele dag – en nacht, zoals snel zal blijken?

Dat willen ze graag vertellen – ze raken eigenlijk niet uitgepraat. „Voor bijna alle ecologen is hun vak ook hun hobby”, verklaart museumdirecteur Kees Moeliker het enthousiasme. Het gesprek vindt plaats op zijn werkkamer, met in een hoek een groot skelet van een struisvogel. Aan tafel zitten Niels de Zwarte („vleermuizen”), Rens de Boer, Sander Elzerman, Garry Bakker („heel breed, dieren en planten”), Wouter Moerland („nachtvlinders”) en Remko Andeweg („botanicus”). Sommigen antwoorden beslist op de vraag wat hun specialiteit is, maar De Zwarte zegt: we zijn allemaal breed georiënteerd, omdat je in dit vak juist verbanden legt tussen verschillende soorten planten, dieren en hun omgeving.”

Neem Rens de Boer, die is geportretteerd op een dakakker. „Ik onderzocht hoeveel insecten er voorkomen in daktuinen, en of het uitmaakt hoe hoog dat dak is en wat voor soort planten er staan”, zegt De Boer. Dat soort informatie vragen projectontwikkelaars bijvoorbeeld, die willen weten of het zin heeft op een dak op 100 meter hoogte groen aan te leggen, legt hij uit.

Rens de Boer zoekt met Eva Drukker naar insecten op de daktuin van Nemo.

Maak er dan ook wat van

En ja, dat heeft zin. „Ook op grote hoogte hebben we behoorlijk wat verschillende insecten aangetroffen. Maar alleen waar een flinke laag grond was aanbracht, en gevarieerde beplanting.” Een eenvoudig groen dak, het sedemdak zeg maar, trekt veel minder insecten aan, en alleen als het relatief laag ligt. „Dus áls je groen op een wolkenkrabber legt, moet je er wel iets van maken.”

De man met het woeste haar op de foto is Remko Andeweg, en de waterplanten zijn uit het Zuiderpark, waar hij op 200 meetpunten de waterkwaliteit onderzoekt. In opdracht van de gemeente die de gevolgen van een ingrijpende herstructurering van het park in 2006 wil meten. Het park zou meer als waterberging worden gebruikt, en daar moesten bomen voor wijken. Dat gaf nogal wat commotie in de buurt, zegt Andeweg. „De gemeente besloot toen de invloed van de ingreep op de biodiversiteit te onderzoeken.” En hoe gaat het? „De waterkwaliteit is nu al jaren erg slecht.” Vlak na de aanleg van de nieuwe waterberging werd het beter, maar nu is het weer beroerd, zegt Andeweg. Hij pakt er een hark bij met op de steel de lengte in centimeters vanaf het witte harkblad. „Ik steek de hark in het water en noteer de diepte waarop ik de witte tanden niet meer kan zien. Vorig jaar waren er plekken in het Zuiderpark waar ik op 20 centimeter al niets meer zag.”

Remko Andeweg onderzoekt onder meer voor de gemeente de waterkwaliteit in het Zuiderpark.

En de man met het schepnet, dat was Garry Bakker langs de Kralingse Plas, op zoek naar libellen. Die inventariseerde hij, ook in opdracht van de gemeente. „De aanwezigheid van die soorten is een indicatie voor de staat van de waterkwaliteit”, zegt Bakker. En hoe het ermee staat, in die problematische plas? „De Kralingse Plas is een ingewikkeld probleem”, zegt stadsbotanicus Andeweg. Er komt blauwalg voor, maar dat is op zich niet zo slecht, en er is ook behoorlijk wat biodiversiteit, vullen de ecologen elkaar aan. „Maar dat is niet altijd waar de gebruikers van de plas om vragen”, constateert De Zwarte droogjes. ,Bootjes hebben last van de planten, maar als je die wegmaait ontstaat er zuurstofgebrek, wat weer leidt tot meer blauwalg.”

Op de expositie zijn de typen insecten te zien die de stadsecologen vinden tijdens hun onderzoeken.

„Vleermuizen tellen”, klinkt het ongeveer in koor op de vraag wat voor soort werk ze het meest doen. De Zwarte: „Bij iedere verbouwing, sloop of renovatie van een gebouw moet de uitvoerder weten of er vleermuizen wonen, dat is wettelijk verplicht.” Maar het is niet eenvoudig, vult Sander Elzerman aan. „Je ziet ze alleen als ze uitvliegen of terugkomen, dus moet je een aantal keer terug komen om te ontdekken waar ze verblijven.” Vleermuizen tellen is niet de enige klus bij nacht en ontij, zegt Elzerman. „Als je bijvoorbeeld broedvogels telt, moet je ook voor zonsopkomst ter plekke zijn.”

Die vleermuisaantallen worden gebruikt om te kijken of er in de buurt voldoende alternatieven zijn voor de dieren. Is het niet makkelijker als de bouwer zorgt dat er in het nieuwe of gerenoveerde gebouw weer voldoende plek is voor vleermuizen? „Ja, we proberen dat zogeheten natuurinclusief bouwen ook te promoten”, zegt De Zwarte. „Op andere plekken is dat al verplicht, maar in Rotterdam lopen we heel erg achter.” In 2017 heeft de gemeenteraad een motie aangenomen over natuurvriendelijk bouwen, maar die is nog niet uitgevoerd, zegt hij. „Misschien dit najaar?”

De egeltjestest

Het is nog erger, zegt De Zwarte. „Rotterdam heeft in wezen geen natuurbeleid. Er is geen bescherming en onderlinge verbinding van de groene structuur van de stad.” Neem het Kralingse Bos, waar vroeger de rode eekhoorn leefde, zegt hij. „Dat bos is volkomen geïsoleerd geraakt, die eekhoorns konden nergens heen. Als er een aaneengesloten bomenlaan over de Oudlaan naar De Esch was geweest, dan waren ze misschien behouden”.

De egeltjestest, zegt Wouter Moerland. „De vuistregel is; als je langs of door aaneengesloten groen in de stad kunt wandelen of fietsen, kunnen de dieren dat ook. De egel bijvoorbeeld. En niets is eenvoudiger dan bij aanleg of onderhoud van een weg een faunatunneltje aan te leggen.”

Wat zelfs ontbreekt is een degelijke bescherming van grote groengebieden in de stad, zegt De Zwarte. „Je ziet overal dat er aan randjes van parken toch gebouwd wordt.” Daardoor is de stadsnatuur nu vooral afhankelijk van goede beheerders van het bestaande groen, zoals de beheerder van het Kralingse Bos.

„De stad is wél goed bezig met het water en de groene daken”, vult Moerland aan. Er is hulp, kennis en advies beschikbaar voor bewoners die hun tuin regenbestendig willen maken, of die een groen dak willen. „Het is vaak een kleine moeite om bijvoorbeeld klimaatmaatregelen ook ecologische slim te maken. Dat vergt geen éxtra stap, maar een stap in een andere richting, die een gunstig effect heeft op de ecologie in de stad.”

En er is hoop, zegt De Zwarte. „De gemeente moet voor 2021 een omgevingsvisie opstellen, en daar zou een visie op de natuur in de stad perfect in passen: wat wil het gemeentebestuur met het groen in de stad.” Daarbij moet de gemeente gericht onderscheid maken tussen recreatieruimte en ruimte voor de natuur. „Wat wil je? Een biologisch zo arm mogelijk groen laken dat je maar één keer per jaar hoeft te maaien, maar waar je heel goed kan barbequeën, of wat diverser groen waar veel groeit en leeft.” Het antwoord op die vraag hangt natuurlijk erg af van wie je het vraagt – niet iedereen houdt van ruige, rommelige natuur, of van een diverse beplanting. „Toch ben ik ervan overtuigd dat óók iemand die gewoon lekker op een grasveld wil liggen het merkt als hij 12 verschillende vogelsoorten hoort, in plaats van alleen die eeuwige merel”, zegt De Zwarte.

De ecologen weten wel wat zij liever hebben. Juist de terreintjes die ongemaaid blijven, die een beetje verwaarloosd worden, zijn pareltjes van biodiversiteit, zegt Andeweg. Het Natuurhistorisch heeft zo’n terreintje, klinkt het niet zonder trots. De Zwarte: „Wij hebben hier het énige stadsnatuurreservaat van Nederland”. Hij heeft het over een verwilderd stuk park achter het museum. Er is vandaag enige opwinding overigens, want die ochtend is er een nieuwe soort is aangetroffen: de matte bandgroefbij. Die hadden ze daar nog niet eerder gezien.