Opinie

Montenegrijnen lezen graag Kafka

Michel Krielaars

Lucinda Riley is ook in Montenegro een bestsellerauteur. Het valt me meteen op als ik in de hoofdstad Podgorica in boekhandel Narodna Knjiga (Volksboek) de lange rij in het Servo-Kroatisch vertaalde Zevenzusterboeken zie. Maar er is meer, want de Montenegrijnen, voor zover ze nog niet aan hun smartphone verslaafd zijn, lezen ook graag klassiekers van Franz Kafka, Herman Hesse, Friedrich Nietzsche en Thomas Mann. Zij prijken in de kasten naast hun eigen sterauteurs en de nog grotere Russen, die hier een hele afdeling voor zichzelf hebben.

De voorkeur voor dat wat ooit was blijkt ook uit de wekelijkse boekenbijlage van het dagblad Dan: een gefingeerd interview met Jorge Luis Borges ter gelegenheid van diens 120ste geboortedag, nieuws over de vondst van een manuscript van Kafka, een nieuwe W.H. Auden-vertaling. Alsof nieuwe schrijvers niet bestaan.

Onderweg naar Albanië lees ik de verhalenbundel Mijn eerste moord van Martin Michael Driessen (1954). Het is bijna een jaar geleden verschenen, maar ik heb het bewaard voor deze reis, omdat ik Driessen een schrijver met een Midden-Europese ziel vind. Dat bleek vooral uit zijn laatste roman De pelikaan, die zich in voormalig Joegoslavië afspeelt. Hier op de Balkan overkomt me diezelfde sensatie in zijn verhalen, met name in ‘Een ware held’, dat over twee Italiaanse soldaten aan het Oostenrijkse front in de Eerste Wereldoorlog gaat, en in ‘Het heilige water’, dat zich in het Galicische Lemberg afspeelt. Beide verhalen ademen de wereld van de periferie van het Habsburgse Rijk, dat zich tot in Montenegro en de Zuidgrens van tsaristisch Rusland uitstrekte. Driessen weet die sfeer perfect te vangen, ook door zijn Soldaat Swejk-achtige humor en zijn soms naïeve personages. Hij lijkt bijna een schrijver die uit een andere tijd is gestapt, wat nog eens wordt versterkt door zijn mooie taalgebruik.

In hoeverre mag Vuong in zijn gastland een mens zijn, gezien de discriminatie waarmee hij te maken krijgt?

De verhalen van Driessen gaan ook over ontheemding en dat is vaak een kenmerk van veel goede literatuur. Ik besefte het eens te meer bij een ander boek dat ik de afgelopen dagen las: de overweldigende autobiografische debuutroman On Earth We’re Briefly Gorgeous van de 30-jarige Amerikaanse schrijver Ocean Vuong. Het is het relaas van een jonge Zuid-Vietnamese immigrant die in het Engels een brief aan zijn analfabete moeder schrijft, waarin hij haar al zijn geheimen opbiecht, onder meer over zijn homoseksualiteit.

Vuong groeit op in een wereld van armoede, geweld, vuil en stank. Je kunt er amper mens zijn, laat staan homo. Het begin van zijn leven is al een hel. In 1990 ontdekten de Vietnamese autoriteiten dat hij een kind was van een Amerikaanse soldaat, waarop hij samen met zijn moeder het land werd uitgezet. Via een vluchtelingenkamp op de Filippijnen belandden ze in Amerika. Eenmaal volwassen vraagt Vuong zich af waar hij nu eigenlijk bij hoort. Zo wil hij erachter komen of het geweld dat zijn moeder en grootmoeder hebben meegemaakt tijdens de Vietnamoorlog zijn identiteit heeft bepaald. In hoeverre is hij eigenlijk een Amerikaan? In hoeverre mag hij in zijn gastland een mens zijn, gezien de discriminatie waarmee hij te maken krijgt? Een geel mens heeft het namelijk even zwaar als een zwart mens – Vuong wordt soms behandeld als een hond. En daarin lijkt hij sterk op de twee blinde hoofdpersonages uit Driessens ‘Het heilige water.’