Foto Frank Ruiter

Jannah Loontjens: ‘Ik accepteer alleen hulp bij iets wat ik ook alleen zou kunnen’

Lunchinterview Jannah Loontjens (45) schreef haar meest persoonlijke boek ooit na een Italiaanse wandeltocht met haar geliefde. „We zijn als een nerveus paard en een kalme kameel.”

Het nadeel van vakantie is dat je jezelf én elkaar kunt tegenkomen. Weg van huis, werk en verplichtingen vallen vervelende eigenschappen en onhebbelijkheden ineens op, vooral die van de ander. In de zomer van 2018 ondernam schrijfster Jannah Loontjens (45) een wandeltocht in Italië – van Perugia naar Spoleto – met haar geliefde, de Brits-Soedanese schrijver Jamal Mahjoub, en dat is haar niet meegevallen. Tien dagen lopen in de bloedhitte van augustus, bagage op de rug, kibbelend over waar links of rechts te gaan op wandelpaden die geasfalteerde snelwegen bleken. Al wandelend vond ze niet de rust en vrijheid waarop ze van tevoren hoopte, maar betrapte ze zich op ergernis, onrust en gevoelens van beknelling. Dat hun wandeling stof voor een boek zou worden, wist ze voor vertrek al. Maar dat Als het over liefde gaat haar „meest persoonlijke boek ooit” zou worden, dat had ze niet voorzien.

Meer dan een wandelvakantie was de tiendaagse trip voor haar een „pelgrimage”, een tocht die ze ondernam in de voetsporen van de schrijfster die ze al jaren bewondert om de „precieze oprechtheid” waarmee ze over gedachten, gebeurtenissen en gevoelens schrijft.

Frida Vogels, inmiddels 89, publiceerde in de jaren negentig haar driedelige serie De harde kern, en won daarmee (voor deel 2) de Libris literatuurprijs, die ze overigens niet kwam ophalen, want ze schuwt de publiciteit én onbekenden. In de wetenschap dat Frida Vogels een fervent wandelaar is, schreef Jannah Loontjens haar een brief waarin ze haar voorstelt samen een wandeling te maken, of, als ze daar niets voor voelt, haar een wandelroute aan te bevelen in Italië, waar Vogels met haar Italiaanse echtgenoot Enzo al jaren woont.

Geoefend wandelaar

Frida Vogels antwoordde dat ze, inderdaad, geen behoefte heeft aan contact of correspondentie, maar ze sloot wel haar aantekeningen bij van een wandeling die ze maakte in 1968; een tiendaagse tocht van dorp tot dorp door Umbrië, met in de hoek van elk blaadje een tekening van de weersgesteldheid van die dag. Nooit eerder in haar leven had Jannah Loontjens ook maar een wandelvakantie overwogen, maar deze tocht moest ze maken, liefst zo onvoorbereid mogelijk, om de trip net zo „aftastend en onderzoekend” te ondergaan als Frida Vogels erover schrijft. Jamal Mahjoub, destijds sinds drieënhalf jaar haar vriend en wél een geoefend wandelaar, ging mee. Voor vertrek was hij al bezig Italiaans te leren, had informatie over bezienswaardigheden ingewonnen en een stapeltje reis,- en wandelgidsen verzameld, maar staakte zijn voorwerk om tegemoet te komen aan haar wens tot „authenticiteit”. Hij wist haar nog wel te overreden tot de aanschaf van een stevig paar wandelschoenen.

Het is nog zomers warm, we zitten op het terras van een Italiaans restaurant in Amsterdam en Jannah Loontjens denkt na over wat ze zal bestellen en verontschuldigt zich alvast. „Ik ben altijd bang dat ik verkeerd kies. Ik weifel en twijfel altijd, vooral over onbelangrijke dingen.” Het wordt ravioli met cinghiale, everzwijn. Toepasselijk, zegt ze, want die komen veel voor in het gebied waar zij wandelden. Een geboren wandelaar is ze niet, stel ik meer vast dan ik vraag. Ze kijkt verbaasd. „Hoezo?” Nou ja, er wordt wat af geklaagd in het boek. De zon is niet gewoon warm, maar „een monsterachtige straalkachel, agressief en opdringerig”, ze is niet moe maar „afgepeigerd”, en een stukje over een loopbrug zonder schaduw is „een onmenselijke opgave”. Ze lacht. „Ik hou heel erg van klagen. Jamal klaagt veel meer, nog beter dan ik. Ik vind het leuk als mensen de alledaagse kwellingen van het bestaan benoemen, op een grappige manier.” Dus zo erg was het allemaal niet? „Wel. Het was verschrikkelijk soms. De verzengende hitte, daar had ik nooit rekening mee gehouden.” Maar zó lang duurde de wandeltocht toch ook weer niet? „Niet? Ik rekende op een wandeling van een middag, een dag hooguit.” Niet op tien dagen vier uur wandelen per dag.

En even over dat wandelen, zegt ze. „Als kind deed ik niet anders, alleen noemden we het toen geen wandelen. Wij renden en klauterden.” Uren door de bossen van Zweden, waar ze opgroeide met haar vader, moeder en broer in een houten huisje zonder elektriciteit of stromend water. Tegen ongemak is ze uitstekend opwassen, zegt ze. „Ik kan me wassen in meertjes, koken op vuurtjes, slapen in een hooiberg.” In Italië overnachtte ze in hotels. Aan kamperen heeft ze een „gruwelijke hekel”, ze haat de beslotenheid van een camping, de bedomptheid van een tent. Ze rilt. „Vreselijk. De hele tijd op je knieën zitten.” De zwaarte van de wandeltocht zat hem dus niet in een gebrek aan luxe of een gebrekkige conditie. Wat haar tegenviel is dat zij en Jamal het „zo moeilijk hadden” met elkáár.

Hij was koppig, ik was koppig

„Nooit eerder, op welke reis ook, botsten we zo.” Ergernis om de kleinste beslissingen: op dit terras iets drinken of verder lopen naar een mooier terras? Omlopen of doorlopen? Hier naar links of daar? „Hij was koppig, ik was koppig. Als hij zei ‘hier links’ weigerde ik dat aan te nemen.” Ze is eerlijk genoeg om op te schrijven dat zijn ingevingen – over de route, richting, rustplaats – vaker kloppen dan de hare. Ze constateert dat hij verantwoordelijk is, waar zij onbesuisd blijkt. Hun verhouding daar in Italië noemt ze die van „een nerveus paard en een kalme kameel”. „Hij sloot zich af en leek uit zijn humeur en daar raakte ik weer van uit mijn doen. Het werd volkomen duidelijk dat we ieder met een ander idee op pad waren gegaan.”

Rommelig relatieverleden

Zij had verwacht dat de wandeling, en de weerslag daarvan op haar en haar boek, meer over Frida Vogels zou gaan. „Ik zag vooraf vooral de overeenkomsten tussen haar en mij. Kind van gescheiden ouders, net als ik een vader met vijf kinderen, van wie er maar één een volle broer is. Na de scheiding bleef zij ook bij haar moeder.” Jannah Loontjens moeder ging terug naar Nederland, nam haar dochter mee en liet haar zoon in Zweden. Maar meer dan een boek over Frida Vogels werd het een boek over haarzelf. Ze vond – en dat is wel helemaal in lijn met hoe Vogels schrijft – dat ze op het pijnlijke af precies de gebeurtenissen moest opschrijven en in alle eerlijkheid nagaan wat die bij haar teweegbrachten. Dus noteerde ze elke avond in een notitieblok (geen laptop mee!) óók hun kinderachtige gekissebis en competitie. Heel persoonlijk, particulier en privé, maar tegelijkertijd ook universeel. „Ik onderzoek de verhouding tot mijn geliefde, lukt het me dit keer wel om me te binden, wat zijn mijn obstakels en belemmeringen.” Uiteindelijk, besluit ze, worstelen alle mensen daarmee.

Voor ze Jamal ontmoette – ze waren tegelijkertijd writer in residence bij het Nias (Netherlands Institute for Advanced Studies) in Wassenaar – was ze „gefrustreerd” in de liefde. Veel relaties, sommige goed zolang ze duurden, een aantal ronduit slecht. Ook de verbintenis met de vader van haar kinderen (van 11 en 15) hield geen stand. Al wandelend vindt ze de verklaring voor haar rommelige relatieverleden in de extreme jeugd die ze doorbracht met haar moeder, die zich na hun Zweedse tijd had omgeschoold tot kunstenares. „Om de haverklap verhuisden we. Had ik me net ergens gehecht, moest ik wéér naar een nieuwe school, wéér nieuwe kinderen leren kennen.” En telkens was zij „dat hippiekind” uit een kraakpand vol vreemde vogels, vrijer opgevoed dan achteraf misschien goed voor haar was. „Ik was heel zelfstandig. Mijn moeder steunde op mij, ik wilde haar niet tot last zijn.” Haar opstandige koppigheid, analyseert ze, komt daar vandaan. „Ik wil niet geholpen worden, ik accepteer geen goedbedoelde raad van een ander, ik aanvaard alleen hulp bij iets wat ik ook alleen zou kunnen.”

Stiekem reisgidsjes mee

Als ze na de vakantie weer alleen in haar huis in Amsterdam is, beschrijft ze hoezeer haar verantwoordelijkheden ineens weer op haar drukken. De deadlines, de financiële onzekerheid van de broodschrijver, het alleenstaand moederschap. Maar ze ontdekt ook, tot haar vreugde, dat ze Jamal mist. „Hij is zo’n lieve man. In het begin van onze relatie zei ik zo vaak ‘you are so sweet’ tegen hem dat hij zich een marshmellow begon te voelen.” En al zijn onhebbelijkheden dan, waarvan zij ons deelgenoot maakte? „Ik spaar mezelf ook niet.” Wat vindt hij van haar boek? Ze lacht. „Hij vond dat hij er niet al te best vanaf kwam. Alsof hij de hele tijd aan het mansplainen was. En hij vond dat ik mezelf wel erg gelijk gaf.”

Dat doet ze ook, zeg ik, maar daar is ze dan ook wel weer eerlijk over. Ze is fideel genoeg om toe te geven dat zij deze „literaire pelgrimage” in haar eentje, met alleen de aantekeningen van Frida Vogels, niet had kunnen maken. „Dan was ik wanhopig geworden.” De twee reisgidsjes die hij – stiekem – had meegenomen, redden hun vakantie. „Daar was ik hem dankbaar voor.” Eng hoor, zegt ze dan. „Om een derde persoon zo mee te laten kijken in je relatie. Ik zet een beeld neer van ons, zo eerlijk mogelijk, zonder sugarcoating. Nu kan iedereen daarover oordelen.”

Heeft ze Frida Vogels haar boek gestuurd? „Ik heb lang getwijfeld, maar ja.” Ze had er een briefje bij gedaan. „Zo van, ik heb het gevoel dat ik u dichter ben genaderd, dat dit mijn meest persoonlijke boek ooit is, en dat ik de lezer dichterbij dan ooit laat komen.” En daar had ze ogenblikkelijk spijt van. „De lezer dichtbij laten komen was natuurlijk helemaal nooit de inzet. Niet de hare en niet de mijne. Het is een gevólg van onze zelfanalyse. Dus heb ik er een kaartje achteraan gestuurd om dat recht te zetten.”