Een Europees initiatief is nog geen Europees leger

Defensie Europese landen werken, onder leiding van Frankrijk, militair meer samen. Daarvoor moeten ze elkaar ook leren kennen.

Landing Craft Utility (LCU) van de Koninklijke Marine brengt personeel en materieel aan het land.
Landing Craft Utility (LCU) van de Koninklijke Marine brengt personeel en materieel aan het land. Sjoerd Hilckmann

Het amfibische transportschip Zr. Ms. Johan de Witt was nog maar net aangekomen bij Sint Maarten voor de hulpverleningsoefening Caribean Coast, toen orkaan Dorian over de Bahama’s raasde. Kort daarop besloot Nederland de oefening om te zetten in echte hulp en het schip, na een verzoek van de eilandengroep, naar het rampgebied te sturen, samen met het hydrografische opnemingsvaartuig Zr. Ms. Snellius. Aan boord: 650 militairen, onder wie mariniers uit Nederland, Duitsland en Frankrijk.

Als het over Europese samenwerking op het gebied van militaire operaties en defensie gaat, roepen politici al gauw dat een Europese krijgsmacht er absoluut niet gaat komen. Sinds de oprichting van de NAVO in 1949 geldt dat bondgenootschap als hoeksteen van het Nederlandse veiligheidsbeleid. Een Europees leger is onwenselijk, vinden de meeste partijen.

Toch werken Europese landen in de luwte steeds meer samen op het gebied van defensie. Dat Duitsland, Frankrijk en Nederland zo vlot met elkaar samenwerken in het Caribisch gebied, is mede te danken aan een samenwerkingsverband tussen tien Europese landen: het European Intervention Initiative, ook wel aangeduid als EI2. Het vrij onzichtbare initiatief werd twee jaar geleden gelanceerd door de Franse president Macron. Volgende week komen de ministers van Defensie van de tien landen voor de tweede keer samen, in Hilversum.

Dat Nederland zo nadrukkelijk en actief deelneemt aan dit samenwerkingsverband laat zien dat ons land zich op een andere manier oriënteert op de eigen en op Europese veiligheid. De NAVO geldt nog altijd als belangrijkste pijler, maar door de onvoorspelbare opstelling van de Amerikaanse president Trump voelt die bescherming niet meer als vanzelfsprekend. Als Brexit doorgaat, verliest de EU bovendien een sterke militaire partner – al zegt het VK op het gebied van defensie te blijven samenwerken met de EU.

„Tegen Europese defensiesamenwerkingen die meteen gaan over gezamenlijke EU-inzet, bestaat veel weerstand. Maar op kleinere schaal en buiten de EU is wel veel mogelijk”, zegt Dick Zandee, defensie-expert bij Clingendael. In opdracht van het ministerie van Defensie schreef hij een rapport over het Europese initiatief, dat deze donderdag verschijnt. Daarin wordt de ‘strategische cultuur’ van deelnemende landen beschreven en waarin ze van elkaar verschillen: hoe kijken landen naar het gebruik van geweld? Naar de inzet van troepen? Wat zijn hun ervaringen in het verleden? „Het gaat erom: begrijpen we elkaars cultuur?”, aldus Zandee.

Zo zien deelnemers Finland en Estland Rusland als grootste bedreiging voor Europa, terwijl Frankrijk, Spanje en Portugal vooral naar de conflicten in Afrika kijken. Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk zijn de enige twee landen waarvan de president, respectievelijk de premier militairen kunnen uitzenden zonder de instemming van hun parlement. En uit de analyse blijkt dat Nederland en Denemarken, na Frankrijk en het VK, de hoogste bereidheid hebben om deel te nemen aan crisisbeheersing.

Frankrijk militaire leider

Macron startte het initiatief vanuit de ervaring dat afspraken over gezamenlijk militair optreden in Europa nauwelijks tot iets leiden. EU-missies stellen weinig voor en de NAVO komt alleen in actie als ook de VS dat willen. Toen Frankrijk in 2013 om hulp vroeg bij het bestrijden van jihadistische opstanden in Mali kwam het antwoord traag op gang. Nederland, maar ook Duitsland en België stuurden uiteindelijk militairen.

Lees ook: Wat als de VS onze vijand worden?

Frankrijk ontwikkelt zich binnen de EU steeds nadrukkelijker tot militaire leider. Duitsland wil die rol niet vanuit zijn ervaringen in het verleden en het VK is bezig de EU te verlaten. „Dat het VK hier wel meedoet, laat zien dat de Fransen er desondanks alles aan doen om de Britten betrokken te houden”, zegt Zandeevan Clingendael.

Hoewel iedereen wegblijft van alleen al de verwijzing naar een Europees leger, is het initiatief wel een „vliegwiel”, een „katalysator” of de „smeerolie” voor meer samenwerking in Europa, zegt Lars Walrave, waarnemend directeur internationale aangelegenheden op het ministerie van Defensie. Hij noemt het „nodig om gezamenlijke dreigingen, zoals vanuit de Sahel, te weerstaan.”

Lastig om ‘nee’ te zeggen

De samenwerking is „een manier om met gelijkgestemde landen beter en sneller samen op te trekken als het nodig is”, zegt minister van Defensie Ank Bijleveld (CDA). „In klein verband kun je effectiever opereren. Daarom praat Nederland ook in zoveel kleinere clubjes mee.”

Dat Frankrijk een verzoek deed aan Nederland om opnieuw militair te helpen in Mali (Nederland was daar tussen 2014 en 1 mei 2019 actief met zo’n vierhonderd militairen), ditmaal voor een trainingsmissie, kan in het licht van deze samenwerking ook worden gezien als een manier om de Nederlandse nieren te proeven, zegt Zandee. „Als een gelijksoortig land, zoals Denemarken, ja zegt tegen de Fransen, is het voor Nederland een stuk lastiger om nee te zeggen. Dat zullen de Fransen echt noteren.”

Lees ook: Een Europees leger: fictie of noodzaak?

Bijleveld bestrijdt dat. Ze benadrukt de autonomie van Nederland om zelf te beslissen over het uitzenden van militairen. „Frankrijk doet ook niet altijd mee als wij het vragen, zoals bij het gezamenlijk aanschaffen van strategische transportvliegtuigen binnen de NAVO”, zegt ze. „Áls we meedoen in Mali is dat omdat zij vragen om de inzet van special forces. En dat is waar wij goed in zijn.”