Recensie

Recensie Boeken

Dichten tegen de tijd in

Mischa Andriessen De ik-figuur in de vierde dichtbundel van Andriessen blijft zoeken naar een glimp van een kind in de golven. Staar je je niet blind op veronderstelde autobiografie, dan ontstaat er meer ruimte en betekenis.

Foto Getty Images

Doet het ertoe dat Winterlaken, de vierde bundel van Mischa Andriessen (1970), me tot tranen toe heeft geroerd? Ik ben niet onmiddellijk op zoek naar een emotionele ervaring bij het lezen van een bundel. Ik hoop in de taal een nieuw gebied te betreden en aan de hand van het gedicht onverwachte gedachtesprongen te maken. Ik hoop op nieuwe beelden, klanken en mogelijkheden van associatie en betekenis.

Wat maakte dan dat deze gedichten me aanvankelijk ontroerden? Ik vereenzelvigde Andriessen met de ik-figuur uit zijn bundel, een misvatting die door de sentimentele flaptekst in de hand wordt gewerkt: ‘In Winterlaken volgt Mischa Andriessen het spoor terug van een liefde: van het onheilsoord waar hun kind onderging en niet meer bovenkwam, naar de tuinen waar ze waren [...] naar het begin, zo eenvoudig en zorgenvrij. Op bezwerende en ontroerende wijze onderzoekt hij in deze bundel of er met een gewetensvoller kiezen en een aandachtiger blik een ander verloop mogelijk is.’ Dat ‘hun’ niet kan verwijzen naar ‘een liefde’ is ergerlijk; storender is dat hier de indruk wordt gewekt dat het grote verlies Andriessen zelf betreft – wat de dichter in een interview in Het Parool ontkracht.

De geschetste poging van de dichter om weerstand te bieden aan het verloop van tijd en gebeurtenissen, wordt in Winterlaken in ieder geval wel ingelost. De bundel kan gezien worden als één groot verzet tegen wat een mens overkomt. Andriessen zet zijn hakken in het zand en schept een wereld waarin alles verandert, maar niets vergaat – de Metamorfosen van Ovidius indachtig.

Zwarte labrador

Het doet er niet toe of wat een gedicht beschrijft echt is gebeurd. Dit gaat zeker op voor het werk van Andriessen, die – net als Ovidius – oude verhalen opnieuw vertelt opdat er ruimte ontstaat voor een nieuwe beleving ervan. Het doet er niet toe, maar bevrijd van de indruk dat de dichter zelf een kind heeft verloren, worden er diepere lagen van betekenis aangeboord. Wanneer het verlies van een kind niet langer een persoonlijke tragedie betreft, maar een universele zorg en angst om wat kwetsbaar is, beginnen de gedichten te ademen:

Ik nam je in mijn afgematte armen pakte je
Nog strakker in de dikke deken en ik keek
Hoe je eruit rolde en dreef en het even leek
Of je je handen naar me uitstak in het water
Dat klom nu je zacht mijn naam uitsprak ik meteen
Me in gereedheid bracht je met laatste kracht toeriep
Ik ben hier waar ik was toen wachtte ik kom nu je zonk

De compositie van de bundel maakt dat beeld en betekenis uit verschillende gedichten in elkaar overvloeien

De ik-figuur in de bundel blijft zoeken naar een glimp van het kind in de golven. In het gedicht ‘Kolk’ is het kind een zwarte labrador. Of bestaat deze gedaanteverwisseling alleen in mijn gedachten?

De compositie van de bundel maakt dat beeld en betekenis uit verschillende gedichten in elkaar overvloeien, zodat de dichter soms alleen nog maar met zijn vingers hoeft te knippen en ik in de golven de contouren zie van een kind, een hond, of een vrouw die – zoals Thetis, dochter van Nereus – in een ander gedicht verandert in een vogel.

De bundel wordt bijeengehouden door onderliggende vragen als: hoe lang blijf je zoeken naar wat is verdwenen, is een nieuw begin mogelijk, is het leven draaglijker of juist niet wanneer je beter oplet? Het komt de gedichten ten goede dat nergens een antwoord op komt.

Alles verandert – wat ook zichtbaar is in de gedichten die wisselend zijn van vorm; nu eens kort en rafelig, dan weer lang en de volle regellengte benuttend. De gedichten met korte regels beginnen allemaal met een hoofdletter, wat de strofen een bonkig aanzien geeft. Dit wekt de indruk dat de ik-figuur een stokkende spreektoon zou hebben, terwijl de zinnen soms juist soepel lopen en doorlopen op de volgende regel. Zo maakt Andriessen op virtuoze wijze mogelijk dat de gedichten zijn opgebouwd uit een opeenvolging van momenten, die zich met wisselende snelheid voltrekt.

Verfijnde techniek

Elke regel moet een nieuw begin mogelijk maken. Elke observatie kan een nieuwe gedaante inluiden. De meeste momenten beginnen op een nieuwe regel, als bij een serie dia’s die wordt geprojecteerd. Wanneer een gebeurtenis of mededeling doorloopt naar de volgende regel ontstaat er een film voor mijn ogen, terwijl ik blijf zien waaruit deze illusie is opgebouwd. Deze verfijnde techniek maakt het bovendien mogelijk dat Andriessen in de tijd terug kan dichten. Beeld voor beeld, strofe voor strofe, spoelt hij de film terug, zoals in het gedicht ‘Kerf’:

Hij klimt uit de dakgoot
Sluit zolderdeur en -ramen
Loopt met een doos vol wijn
De kamer uit de winkel in
Neemt geld aan van de caissière
Zet fles voor fles terug in het schap
Rent het plein over naar het park
Vangt zijn mobiel uit de vijver

Bij het slotgedicht ‘Het wachten’ houd ik rekening met de mogelijkheid dat dit gedicht zich richting het verleden beweegt. Op deze manier komt de naamloze ‘hij’ – het wachten zelf? – altijd thuis wanneer hij van huis gaat. Hij beweegt zich tegen de stroom van het onontkoombare in. Orpheus en Eurydice zijn niet ver weg:

Wachtte tot het donker was
De kinderen na het slaan
Met deuren nog wel sliepen
Sloeg bij het tuinpad af
Naar waar zij niet te zien was
Kon blijven lopen en niets zag
Bij weer een blik achter zich
Wachtte de afstand schattend
Kwam haar dan buiten adem na
Riep haar naam opende de armen
Zei dat het niets scheelde - kom nu maar
Zo ging het jaren zolang hij de kalmte bewaarde
De kinderen toen nog een laatste kus gaf
De deuren openliet en met haar meekwam

Andriessen weet de taal zo naar zijn hand te zetten dat de tijd oplost in een opflakkerend en schimmig heden. Het gevecht tegen wat voorbijgaat – in de vorm van gedaanteverwisselingen en tijdsprongen – is niet alleen aangrijpend, maar overtuigend en onafwendbaar.